Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dimmen - (licht temperen; rustig doen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dimmen ww. ‘licht temperen; rustig doen’
Nnl. dimmen ‘de autolichten temperen’ [1930; Brandt/Haan]; effe dimme ‘hou het kalm’ [1980; Stroop 1980].
Ontleend aan het Engelse werkwoord dim in de Amerikaans-Engelse betekenis ‘de autolichten temperen’, ouder al ‘temperen’ en ‘glans verliezen, duister worden’ [1300].
Men vergelijke hiermee oe., ofri. dimm bw. ‘donker’, on. dimmr; ohd. timbar ‘donker, duister’, (mhd. timber, timmer) en het met timbar verwante ohd. demar zn. ‘schemering’ (> nhd. Dämmerung); zie ook → deemster.
Brits-Engels gebruikt dip voor het temperen van de autolichten, zie → dippen.
Lit.: P. Stroop (1980) ‘Politiek bewusteloos geconverseerd’, in: OT 49, 115

EWN: dimmen ww. 'licht temperen; rustig doen' (1930)
ANTEDATERING: wordt … het licht niet "gedimd" [1922; Vaderland 10/5]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dimmen [licht temperen] {1926-1950} < engels to dim [idem], oudengels dimm(e) [donker], oudfries dim, oudhoogduits timbar, oudsaksisch thimm, oudnoors dimmr; buiten het germ. mogelijk latijn tenebrae, oudindisch tamas- [duisternis] → deemster.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dimmen ww. ‘het licht van voertuiglantarens dempen’ < ne. dim ‘verduisteren’, waarvoor zie: deemster.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dimmen (Engels to dim)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dimmen ‘licht temperen’ -> Javaans dialect dhim, ngedhim ‘licht temperen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dimmen licht temperen 1934 [KWT] <Engels

dimmen zich rustig houden 1980 [Onze Taal dec. 1980, 115]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

dimmen, kalmpjes aan doen; zich rustig houden; een toontje lager zingen. Vooral in de gebiedende wijs: effe dimmen! Informeel; aanvankelijk jeugdtaal, nu meer algemeen ingeburgerd.

Hoor je me, Sier, of heb je weed in je oren? Beetje dimmen, meester! Tuurlijk hoor ik je. (Boudewijn Büch: Links, 1986)
... en nou een beetje dimmen, hè? (Helga Ruebsamen: Op Scheveningen, 1988)
‘Rustig jij,’ zei hij, ‘effe dimmen ja?’ (Vrij Nederland, 22/07/89)
Ik ga naar ze toe, zeg dat ze moeten ophouden, dat ze moeten dimmen, ecetera-meer. (De Volkskrant, 03/08/91)
In deze kring wordt de koers voor zijn pr-beleid bepaald. Daar is beslist dat hij de komende weken ‘even zal dimmen.’ (Elsevier, 18/03/95)
‘Ik ben blij dat de spelers zich niets hebben aangetrokken van de mensen om ons heen,’ zei Heerenveen-trainer Foppe de Haan na afloop. ‘De bussen waren bij wijze van spreken al besteld en de T-shirts al gedrukt. We moesten dus dimmen, dimmen, dimmen.’ (NRC Handelsblad, 18/04/97)
Marijnissen vind ik veel leuker. Die roept rustig naar de voorzitter van de Tweede Kamer: ‘Effe dimmen.’ (Nieuwe Revu, 08/04/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut