Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dille - (steelhuis van schop)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dille 2 zn. ‘steelhuls’
Mnl. dille ‘buisvormig deel van een schop enz. waarin de steel wordt bevestigd’ [1467; MNHWS], naast ablautend dul(le).
Mnd. dille naast de ablautende vorm ohd. tulli < tulli(o) ‘pijl, buis aan het eind van pijl of speer ter bevestiging van pijl- of speerpunt’ (mhd. tülle ‘paalwerk, buis, buis waarmee de punt van een pijl of speer aan de schacht wordt bevestigd’) < pgm. *delja- en, met ablaut, *dulja-.
Herkomst onzeker. Verwantschap met pie. *dhel-, *dholo- ‘uitholling, welving’ (IEW 245-246) is weinig wrsch., omdat deze woorden de betekenis ‘dal’ etc. hebben. Het in dit verband ook wel genoemde Grieks thólos ‘koepeldak’ is niet Indo-Europees. Gezien de beperking tot een deel van het Germaans en het betekenisveld zou men aan een substraatwoord kunnen denken.
Frans douille ‘buisje, huls’ is aan het Germaans ontleend.

EWN: dille 2 zn. 'steelhuls' (1467)
ANTEDATERING: een dull aen een schuemspaen 'een kokertje aan een schuimspaan' [1441; iMNW]
{De attestatie van het EWN uit 1467 moet luiden: dulle.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dille1* [steelhuis van schop] {dulle 1467} oudhoogduits tulli [buisje waarin de pijlpunt zit, pijlpunthouder]; voor de etymologie vgl. dal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dille 1 znw. v. ‘buis tot het opnemen van de steel van een gereedschap’, mnl. dille. Daarnaast ablautend mnl. dulle vgl. ohd. tülle o. (nhd. tülle v.) ‘id.’ (mhd. ook: ‘omheining van planken, paalwerk’). Dat het woord zeer oud is, leert de ontlening van fra. douille aan het oudfrankisch. Naast het germ. * delja, *dulja staat ook een *dulō: ohd. dola v. ‘buis’, mnd. dole, dolle v. ‘gracht’ (zie: doel), *daljō: nnl. del, oe. dell ‘dal’, *dōliō: mhd. tüele ‘verdieping’ en *dēliōn: on. dæla ‘geul, goot’. — Voor de etymologie zie: dal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dille I (buis, waarin de steel van een schop e. dgl. bevestigd wordt), nog niet bij Kil. = mnd. dille v. “id.”. Mnl. komt in dezelfde bet. dulle v. voor, = mhd. tülle o. (nhd. tülle v.) “id.” (mhd. ook “omheining van planken, paalwerk”), germ. *ðuljô(n)-, -ja-. [Hiernaast ðulô- in ohd. dola v. “buis” (nhd. dole), mnd. dōle (ook dolle) v. “gracht”; men gaat echter ook van *þulô- uit en combineert dat met gr. sōlḕn “buis”, oruss. tulü, oi. tûṇa- “koker”.] Ndl. mnd. dille staat tot dulle in ablaut: *ðiljô(n)-, idg. *dheljâ-. De bett. “buis, gracht” wijzen voor idg. dhel- op een grondbet. “nauw, hol” of “uithollen, uitgraven”. Of is de oudste bet. “riet, rietbuis”? Combinaties buiten het Germ. zijn twijfelachtig. Misschien bij de onder dal besproken woordgroep? Fr. douille “dille” gaat op lat. ductile “afvoerbuis” terug.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dille I (buis). Fr. douille ‘dille’ wordt beter uit het Germ. afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dil 1(le) v. (aan een spade), Mnl. met. ablaut dulle + Mhd. en Nhd. tülle, wellicht niet verwant met dola bij daal.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut