Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dijk - (dam, wal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dijk zn. ‘dam, wal’
Onl. in de plaatsnaam Tubindic [996-1029, kopie ca. 1035; Claes 1994a], diic ‘dam’ [1156; Slicher van Bath]; mnl. dijk ‘dam, dijk’ [1254; CG I, 57], bin den dike ‘binnen de dijk’ [1254; CG I, 57], dijc ‘id.’ [1274; CG I, 266], ten dijke ‘naar de poel (der hel)’ [1380-1425; MNW-R], in desen aertschen dijck ‘in dit aardse moeras, deze aardse poel (des verderfs)’ [1470-90; MNW-R].
Os. dīk ‘dijk, vijver’; ohd. dīch ‘diepte’ (nhd. Teich ‘vijver’); ofri. dīk ‘dam’; oe. dīc ‘dam, sloot, vaart’ (ditch ‘sloot’; dīke ‘dijk; sloot’ is wrsch. aan het Nederlands ontleend); on. díki ‘poel, moeras’ (nzw. dike ‘sloot’); < pgm. *dika-. Verwant is wrsch. ook ne. dig ‘graven’.
Verwant met Latijn fīgere ‘steken, hechten’ (zie → fixeren); Litouws díegti ‘steken’, dygùs ‘puntig’; bij pie. *dheig- ‘steken, vastzetten’ (IEW 243-44). Maar gezien de geringe verspreiding, het betekenisveld en de wisseling -k-/-g- in de Germaanse vormen is dit wrsch. een substraatwoord. Zie echter ook → deeg.
Van de twee Middelnederlandse grondbetekenissen ‘ophoping’ en ‘uitdieping’ is alleen de eerste blijven bestaan in de standaardtaal. De tweede, etymologisch oorspr. betekenis leeft wel voort in de dialecten, onder meer in de ruim verbreide betekenis ‘sloot’. Deze metonymische wisseling van betekenis is te verklaren uit de materiële omstandigheid dat bij het graven zowel een diepte als een ophoping ontstaat. Dezelfde ontwikkeling doet zich voor bij meer woorden uit dezelfde semantische sfeer als dijk; in het Nederlands bij → dam en → wal.
Uit het Nederlands is het woord ontleend in Frans digue ‘dijk’, ouder dike [1373; Rey] en diic [1293; Rey].

EWN: dijk zn. 'dam, wal' (996-1029, kopie ca. 1035)
ANTEDATERING: in de plaatsnaam Wediche 'Wededijk?' [893, kopie1222; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dijk* [aarden wal] {in de vroegere Zeeuwse plaatsnaam Tubindic ca. 1035, dijc, diic [dijk, dam, maar ook poel, vijver] 1156} oudsaksisch, middelnederduits dīk [dijk, vijver], oudfries dīk [dam], oudengels dīc [dam, sloot], oudnoors díki [poel]; buiten het germ. latijn figere [in iets steken en dan hechten], litouws dyglys [doorn]; de grondbetekenis steken, als wij daarin zien de spade in de grond steken, spitten, past bij de twee divergerende latere betekenissen, omdat aangelegde dammen en vijvers het gevolg zijn van dezelfde handeling. De uitdrukking iem. aan de dijk zetten [iem. uit zijn ambt zetten] betekende oorspr. ‘iem. die aan een dijk woont op straat zetten’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dijk znw. m. dial. ook ‘poel, sloot’, mnl. dijc m. ‘dijk, poel’, os. mnd. dīk m. ‘dijk, vijver’ > nhd. deich), ohd. dīch ‘gurges’? (nhd. teich ‘vijver’), ofri. dīk m. ‘dam’, oe. dīc m. v. ‘dam, sloot, vaart’ (ne. dike, indien niet < ml. dijk en ditch), daarnaast on. dīki o. ‘poel, moeras’. — > ofra. dike (1373), later digue (sedert 1650), vgl. Valkhoff 108. — Men gaat uit van een betekenis ‘graven’ en voert het woord terug op idg. *dheigu̯ ‘steken, hechten’ (IEW 243) vgl. lat. figo ‘steken, hechten’, lit. dýgstu, dýgti, lett. digt ‘kiemen’, lit. dyglys ‘doorn’, diegas, daigas ‘kiem’.

De wisseling van betekenis is dezelfde als die bij dam; bij het graven ontstaat tegelijk een dijk en een kuil of gracht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dijk znw., dial. ook “sloot, poel”, mnl. dijc m. “dijk, poel”. = os. mnd. dík m. “dijk, vijver” (uit het Ndd. nhd. deich, vgl. dam I, de echt-hd. vorm is mhd. tîch, nhd. teich m. “vijver”; = ohd. dîch “gurges”?), ofri. dîk m. “dam”, ags. dîc m. v. “dam, sloot, kanaal” (eng. dike, ditch); hierbij on. dîki o. “poel, dijk”. Voor de dubbele bet. vgl. dam I. Wsch. van een wortel die “graven” beteekend heeft; deze bet. kan zich uit “steken” ontwikkeld hebben: vgl. dan lat. fîgo “ik steek, hecht”, lit. dygùs “puntig, stekelig”, dýgstu, dýgti “kiemen”, misschien ook gr. thingánō “ik raak aan” en russ.-ksl. dĭgna, degna, dŭgna, dogna “litteeken”. Minder waarschijnlijk is verwantschap met de bij deeg besproken basis dhiĝh-: *ðîka- zou dan uit *ðîkka- en dit uit *dhîĝh-nó- ontstaan zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dijk. Eng. dike kan ook aan het Ndl. ontleend zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dijk m., Mnl. dijc, Os. dîk + Mhd. tîch (Nhd. teich), Ags. dic (Eng. dike), Ofri. dík, On. díki (Zw. dike, De. dige): met de twee bet. van wal en gracht + Skr. dehī = wal, Gr. teȋkhos = muur, Lat. figere = vaststeken: Idg. wrt. dhei̯ɡh en wrt. dhei̯ɡ: z. deeg 1. Uit Germ. komt Fr. digue.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

dijk 'waterkering'
Onl. dic, mnl. dijk 'aarden wal, als waterkering langs een water', ook 'aangedijkt of bedijkt land', ofri. dîk 'dijk', os. dîk 'dijk, vijver', ohd. dîch 'diepte' (nhd. Teich 'vijver'), oe. dîc 'dam, sloot, vaart', ono. díki 'poel, moeras'. Hierbij waarschijnlijk ook ne. to dig 'graven'. Plaatsnamen van het type dijk plus persoonsnaam reiken terug tot in de 10e eeuw, toen de aanleg van dijken nog een particuliere aangelegenheid was (→ Ellewoutsdijk, → Eversdijk, → Geersdijk, → IJzendijke en → Wolphaartsdijk). Archeologische vondsten in de omgeving van Dongjum en Peins in Friesland tonen echter dat bewoners al voor de komst van de Romeinen hun akkers tegen overstromingen beschermden met lage ringdijken. Er zijn ook aanwijzingen dat er in de Karolingische tijd een aanzet tot dijkbouw is geweest, die zich echter niet heeft kunnen doorzetten, mogelijk door de in de 9e eeuw optredende verzwakking van het centraal gezag en de invallen van de Noormannen. In Zeeland komt de dijkaanleg op gang na de zware stormvloeden van begin 11e eeuw, maar pas in de 12e eeuw komt het tot een meer systematische aanpak in groter verband.
Oudste attestatie in plaatsnamen: 996-1029 kopie ca. 1035 Tubendic, 1038 Tubinis dic 'dijk van de persoon Tubin' (ligging onbekend, bij Oostburg en Aardenburg)1. In Brabant wordt dijk ook gebruikt voor een afgegraven en gelijk gemaakte weg door de heide, van het ene dorp naar het andere2, meestal met wat hogere ligging in nat gebied.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 351, 2BMDC 34 (1968) 15.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

dijk: (Bargoens) grote, seksueel erg aantrekkelijke vrouw; meer specifiek ook: een lesbische met mannelijke allure (Amerikaans slang dyke wordt in dezelfde zin gebruikt en zou wel eens afgeleid kunnen zijn van ons Nederlandse woord). Aanvankelijk had het woord een negatieve klank maar vanaf de jaren zeventig werd dijk een geuzennaam. Tegenwoordig wordt het woord meer neutraal gebruikt. Een scheldwoord voor een lelijke lesbienne is een greppel (een woordspeling op dijk).

Het woord ‘dijk’ of ‘manwijf’ was een vernederend scheldwoord als het werd gebruikt door hetero’s, vooral door heteromannen die bang zijn voor lesbische vragen ten aanzien van hun mannelijkheid. (Emily L. Sisley & Bertha Harris, Homoseksualiteit bij vrouwen, 1981)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dijk ‘lesbienne’ (Engels dyke)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dijk ‘aarden wal’ -> Engels dike, dyke ‘dam’; Duits Deich ‘aarden wal’; Noors dike ‘aarden wal’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans digue ‘constructie die water tegenhoudt; obstakel dat een beweging tegengaat of afremt (fig.)’; Italiaans diga (ouder: dicco) ‘dam, (fig.) afsluiting’ ; Spaans dique ‘aarden wal’; Portugees dique ‘bouwwerk bestemd om stromend water in te dammen; reservoir met een sluis of dam’ ; Roemeens dig ‘aarden wal’ ; Bretons dig ‘dam’ ; Bulgaars diga ‘aarden wal’ ; Lets daika ‘aarden wal’ ; Litouws daika ‘aarden wal’ ; Maltees diga ‘waterkering’ ; Esperanto digo ‘aarden wal’ ; Javaans dhèk ‘aarden wal’; Papiaments dijk ‘aarden wal in Nederland’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dijk* aarden wal 1035 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

423. Een kerel als een dijk,

d.i. een stevige, forsch gebouwde kerel, iemand als uit een dijk gehouwen (Coster, 519, 727); zie Van Effen, Spectator VIII, 223; IX, 78; Harreb. I, 133 a; Ndl. Wdb. III, 2597; Ndl. Wdb. VII, 2228; ook in het Friesch in faem (meisje) as in dyk, - oft se ût 'e dyk dold is. Vgl. no. 298.

424. Dat brengt (of zet) geen zoden (of aarde) aan den dijk,

d.w.z. dat helpt, baat niet; dat brengt geen turf aan den wal (Harreb. II, 434 b); eig. dat brengt geen zoden om den dijk te stutten, die op het punt staat van door te breken (Gijsbr. v. Aemstel, 1288). In de middeleeuwen beteekende soden setten tegen de glooiïng van den dijk aanbrengen; zoden brengen om den dijk te stutten, die op 't punt staat van door te breken; zulke soden werden setsoden genoemdMnl. Wdb. VII, 1005; 1454.. De uitdrukking is in de 17de eeuw aangetroffen bij Vierlingh, 312: Zijluyden laeten hem duncken dattet verloren gelt is dat zij daeraen hangen (besteden) ende geene aerde aen den dijck en bringht; Vondel, Inwydinge van 't Stadthuis t' Amsterdam, vs. 735: Geen koejenujer maeckt de steên en dorpen rijck: de zeevaert bouwtze, en brengt eerst zoden aen den dijck; Winschooten 271: Dat en kan geen sooden aan den dijk setten: dat mag niet helpen: dat helpt soo veel, als een boon in een brouwketel; in W.D. Hooft's Clucht v. Jan Saly, 7 r:

 Al deetmen al syn best met nacht en dagh te spinnen,
 't Brenght geen soon anden dijck.

Ook bij Halma, 814 lezen wij: Dat brengt geen zooden aan den dijk, die winst kan niet verre strekken, c'est un petit profit, cela ne peut aider beaucoup; bij Sewel, 995: 't Brengt geen zooden aan den dyk ('t brengt geen voordeel aan), it doth not further the business, or it does not profit any thing; zie ook Tuinman I, 373; Harreb. I, 133 a; Ndl. Wdb. III, 2598; Nkr. VII, 21 Juni p. 6. De uitdr. is over geheel Noord- en Zuid-Nederland bekend. Zij luidt in het Friesch: dat bringt gjin seadden oan 'e dyk; oostfri.: dat smit gên sêdden an de dik; voor het Zuidnederlandsch zie Joos, 88; Schuermans, Bijv. 4 a; 63 a; Volkskunde XI, 160; Waasch Idiot. 174 a; 792 a; Loquela 113.

425. Iemand aan (of op) den dijk zetten (of jagen).

Tuinman I, 316 citeert een oud paard jaagt men aan den dyk, en geeft daarbij de volgende verklaring: ‘dit word toegepast op oude afgesloofde en afgeleefde menschen, die na een langduurigen en getrouwen dienst, wanneer zy niet meer werken konnen, ondankbaarlyk verstooten en verlaten worden. Dus krygen zij 's werelds loon. Een jong hoveling word een oud schoveling, en vind zich kaal en berooit op den dyk gezet’. Thans bedoelt men in het algemeen met deze spreekwijze: iemand uit zijn ambt ontzetten, op stal zetten, de laan uitsturen (naast de laan uitgaan, aan den dijk gezet worden; o.a. Sjof. 253; Nest. 116); de laan uitmoeten (Sjof 169), buiten bestaan, in nood brengen; op straat, op de keien zetten of smijtenVgl. Jord. 129; Arbeid, 1 Oct. 1913, p. 1 k. 1: Enkelen voerden het woord met dit gevolg dat enkele timmerlieden op een gniepige manier op de keien zouden worden gesmeten; bij Speenhoff, VII, 77: Op de keien staan.. De oorspronkelijke bet. is iemand die aan een dijk woont op ‘straat’, ‘aan de deur’ zetten, zooals nog blijkt uit Hooft, Ged. II, 244:

 Te setten d'Eedlen van haer ampten; Borghers rijck
 Van haer vryheeden oudt: Huysluyden op den dijck;
 't Was noyt mijn meening.

Zie ook Jan v. Hout: Zy hebben my myn vleysch en bloet uytgesogen en opten dyc totten bedelsac gebrocht (Tijdschr. XXIII, 245); Van Moerk. 142; Pers, 303 a; 900 b (op den dijk zetten); Hooft, Brieven I, 125: Op den dijk geraken; De Brune, Bank. II, 243: Aan den dijk jagen; Pers, 456 b: Op den dijk helpen; Pers, 216 b: Aan den dijk opsetten; Willem Leevend VI, 375: Ik weet wel, kind, als wy het zo breed aanleiden, dat wy al lang op den dyk zaten (= op straat zouden zitten); Harreb. I, 133 a; Bergsma, 88: iemand an diek zetten; fri. op 'e dyk reitsje, sitte; immen oan 'e dyk sette; vgl. Antw. Idiot. 328: den dam af zijn, gaan, vliegen, weggezonden zijn, weggezonden worden van zijn ambt, uit zijnen dienst weggejaagd worden; Eckart, 77: enen an'n Dîk jagenZie Tijdschr. XXXIX, 143. In Kmz. 339 wordt de uitdr. ook gebezigd van meeningen: Sluit je aan bij de nieuwe levensbeschouwing die de verouderde voortbrengingswijze aan den dijk zet..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut