Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dijenkletser - (grap die uitbundige reactie oproept)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dij zn. ‘vlezige deel van bovenbeen’
Onl. thio ‘bovenbeen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. die /dië/ ‘id.’ [1240; Bern.]; nnl. dij.
Os. thioh ‘dij’; ohd. dioh ‘id.’ (mhd. diech); oe. þēoh ‘dij, schenkel’ (ne. thigh); ofri. thiāch ‘dij’ (nfri. tsjea); on. þjó ‘bil’; < pgm. *þeuha- ‘dij’.
Verwant zijn Gallo-Romaans tûcetûm ‘soort vlees’, Avestisch *taosa ‘dij’ (in de naam Hu-taosa); Litouws táukas ‘stukje vet’, tunkù, tùkti ‘vet worden’; Oudkerkslavisch tukŭ ‘vet’; Middeliers tōn ‘aars’; < pie. *teuk- een uitbreiding van *teu- ‘zwellen’ (IEW 1080-84).
Het Nieuwnederlandse dij ontstond doordat de Middelnederlandse tweeklank -ie-, uit West-Germaans -io-, aan het woordeinde monoftongeerde en daardoor samenviel met de vanouds lange -i-, die naderhand werd gediftongeerd; het zelfde gebeurde bij → betijen.
dijenkletser zn. ‘uitbundig leuk amusement; weinig subtiele grap; ’ Nnl. drie dijenkletsers ‘drie moppen die groot succes hebben’ [1959; WNT Aanv.]. Gevormd uit het mv. van dij en een afleiding van het werkwoord → kletsen ‘slaan’: bij zulk amusement slaat men zich op de dijen van het lachen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dijenkletser* grap die uitbundige reactie oproept 1959 [Aanv WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut