Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

diep - (bn. en zn.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

diep bn. ‘zich ver naar beneden uitstrekkend’
Onl. zelfstandig gebruikt in de geografische naam Maresdeop ‘Marsdiep’ [eind 7e eeuw-817; Claes 1994a] hertin diepin (datief ev.) ‘in een diep hart’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. diep ‘ver naar beneden’ [1285; CG II, Rijmb.], int vernoy ... so diep ‘zo diep in de ellende’ [1340-60; MNW-R], Soe groet ghepeins ende soe diep ‘zo groot en diep gepeins’ [1340-60; MNW-R], tote diep in den avont ‘tot diep in de avond’ [1340-60; MNW-R].
Os. diop; ohd. tiof (nhd. tief); ofri. diap (nfri. djip); oe. dēop (ne. deep); on. djúpr (nzw. djup); got. diups; < pgm. *deupa- ‘diep’. Hierbij horen ook on. dúfa ‘neerdrukken, doen zinken’, oe. dūfan en dȳfan ‘duiken, zinken’ (ne. dive ‘duiken’). mnl. mnd. bedoven ‘ondergedompeld, verzonken’. Ook andere woorden als → dobberen, → dompelen en → dopen behoren wrsch. bij deze wortel. Er bestonden blijkbaar o.a. pgm. *deup-, daup-, *du(m)p-, *dub- naast elkaar, wat op een substraatwoord duidt.
De pgm. wordtel zou eventueel moeten teruggaan op pie. *dheubh-n-, maar er verschijnen alleen verwanten in het Baltisch: Litouws dubùs ‘diep, hol’, dùgnas ‘bodem’ (< *dubnas), en verder Oudkerkslavisch dŭno ‘grond, bodem’ (< *dubno) en Oudiers domun ‘wereld’, domuin ‘diep’, Gallisch *dubnos, *dumnos ‘wereld’ (in persoonsnamen als Dumno-, Dubnorix). Ook deze beperkte verspreiding duidt op een substraatwoord.
Vanaf zijn ruimtelijke basisbetekenis ontwikkelde diep door metonymie en metafoor een brede waaier van abstracte en overdrachtelijke toepassingen. De meeste thans gangbare gebruikswijzen waren al bekend in het Middelnederlands. Bij het gesubstantiveerde bn. diep schijnt de metaforische overdracht op andere dimensies dan diepte, onder meer de toepassing ‘het binnenste’ bijv. het diep van het woud, zich pas in het Nieuwnederlands te hebben voltrokken. Wel oud is de betekenis ‘(vaar)geul’: onl. *deop in Maresdeop ‘Marsdiep’ [eind 7e eeuw-817; Künzel 243].
diepe zn. ‘diepte; diep gedeelte van zwembad’. Nnl. diepe ‘diepte, afgrond’ [1778; WNT voortschieten], het diepe van den zolder ‘het verre, slecht zichtbare of duistere, gedeelte van de zolder’ [1838; WNT ziel], haring, opduikend uit het diepe ‘haring die uit de diepte opduikt’ [1940; WNT vischjager], diepe ‘diepe deel van een zwembad’ [1984; Dale]. Afleiding van diep.
Lit.: F.B.J. Kuiper (1995) ‘Gothic bagms and Old Icelandic ylgr’, in: NOWELE 25, 63-88; EWgP 153-54

EWN: diep bn. 'zich ver naar beneden uitstrekkend' (eind 7e eeuw-817)
ANTEDATERING: *Diepa (naam van onbekende waterloop bij Gent) in: inter duos fluuios Buoclaca et Diopa [768-814, kopie 941; ONW]
EWN: ♦ diepe zn. 'diepte; diep gedeelte van zwembad' (1778)
ANTEDATERING: mnl. te halven dipe 'tot halverwege de stroombaan' [1280-87; VMNW]
Later: in dat diepe van der zee [1291-1300; VMNW] (EWN: 1778)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

diep* [ver naar beneden] {in de waternaam Maresdeop, nu Marsdiep 701-800, oudnederlands diopi, diupi 901-1000, middelnederlands diep(e)} oudsaksisch diop, oudhoogduits tiof, tiuf, oudfries diap, oudengels deop, oudnoors djūpr, gotisch diups; buiten het germ. oudiers domain, welsh dwfn [diep], oudkerkslavisch dŭno [bodem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

diep bnw., mnl. diep, mnl. dēp, os. diop, ohd. tiof, ofri. diāp, oe. dēop, on. djūpr, got. diups. — Idg. *dheub, vgl. lit. dubùs ‘diep, hol’, daubà ‘kloof’, osl. dubrĭ ‘rotskloof’, gall. *dubnos, dumnos ‘wereld’ (vgl. gall. PN Dubnorix, Dumnorix), oiers domun ‘wereld’, domain ‘diep’ (IEW 267). — Zie: diepte.

Naast de wt. *dheub vinden wij ook *dhumb (zie: dompelen) en *dheup, vgl. on. dūfa ‘onderdompelen’, oe. dūfan ‘onderdompelen, zinken’, mnd. bedūven ‘begoten worden’, vgl. mhd. tobel ‘rotskloof’ en osl. dupina ‘hol’, duplŭ ‘hol’. Met een gutturaal *dheug vinden wij nog duiken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

diep II znw. Afl. van diep I. Het gesubstantieerde neutrum diep komt reeds mnl. (noordndl.) = “kanaal, bevaarbaar water” voor, evenzoo owfri. diep, mnd. dêp o. = ags. dêop, on. djûp o. “diepte, diep water”.

diep I bnw., mnl. diep “diep, onder water staande”. = ohd. tiof (nhd. tief), os. diop, ofri. diâp, ags. dêop (eng. deep), on. djûpr, got. diups “diep”. Germ. *ðeupa- > idg. *dheubo; verwant met ier. domun “wereld”, domuin “diep” (dhubn-), obg. dǔno “bodem”, dĭbrĭ uit dŭbrĭ (deze vorm russ.-ksl.) “rotskloof”‘, lit. daubà “id.”, dubùs “diep” (vgl. bij dam I). Naast dh(e)ub- komt een genasaleerde basis dhumb- voor (zie dompelen), verder dh(e)up- in obg. dupina “hol”, on. dûfa “neerdrukken, onderdompelen”, ags. dûfan, dŷfan (eng. to dive) “onderduiken”, mnd. bedōven “(onder water) bedolven”, mnl. bedōven “ondergedompeld” (vgl. dobber), - dheug- in duiken enz. Ook heeft men ags. dêagian (eng. to dye) “verven” nog vergeleken (idg. wortel dheugh- of dheuq-).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

diep. Van de basis *dheub- wsch. ook alb. det ‘zee’ (*deubeto-, vgl. got. diupiþa): Jokl bij Thumb GGA. 1915, 23.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

diep 2 o. (profondeur), niet het bijv. zelfst. gebr., maar een oud zelfst.nw. + Ags. déop, On. djúp = afgrond.

diep 1 bijv.(profond), Mnl. id., Os. diop + Ohd. tiof (Nhd. tief). Ags. déop (Eng. deep), Ofri. diáp, On. djúpr (Zw. djup, De. dyb), Go. diups: = Germ. wrt. deup + Oier. domun (d.i. *dubno) = diep, wereld, Lit. dubùs = hol, Osl. dĭbrĭ = dal: Idg. wrt. dheu̯b; daarnevens Ndl. be-duiven, Ags. dúfan, dýfan, Eng. to dive = duikelen: Germ. wrt. deuf + Osl. duplji = hol, Lit. dupti = inzinken: Idg. wrt. dheu̯p (z. doopen, ook dompelen en duiken).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

deep (bn.) diep; Aajdnederlands deop <701-800>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. diep bn., bw., (ook:) 1. zeer; grondig, intens (als bw. bij een bn. soms daaraan vastgeschreven). Het is nog diepdonker als Joyce wakker wordt (Doelwijt 1969: 85). Ma is nog diepdonker als Joyce wakker wordt (Doelwijt 1969: 85). Ma Akoeba, ik wil een diep-zakelijk gesprek met je hebben (Defares 4). - 2. oorspronkelijk, zuiver (gezegd van een taal). Hoe noemt men een tweeling in diep Sranan*-tongo? (BN 120: 17; 1980). - 3. (gebr. door Javanen* voor Javaanse woorden uit de gewone taal, Jav. ngoko, die een bijzondere, beleefde vorm hebben) beleefd. Sommige ngoko-woorden hebben twee beleefde vormen, waarvan de ene nog weer iets beleefder, deftiger of zoals men wel zegt dieper is dan de andere (H.D. Vruggink, in brief 1982). - Etym.: In AN komt het woord in bet. 1 ook voor (bijv. ‘diep blauw’), maar niet zo alg. als in het SN. Hetzelfde geldt voor E ‘deep’ in Engeland; echter in Guyana en andere Westindische gebieden heeft het dezelfde bet. als d. (1) (C&L). In Guyana bet. ‘deep English’ ‘zuiver Engels’ (C&L); dat sluit aan bij d. (2). In Suriname worden ook de bosnegertalen* ‘diep’ genoemd. Dat kan dezelfde achtergrond hebben, echter ook ‘onbegrijpelijk’ betekenen: vgl. in de bijbel Jes. 33, 19: ‘een volck diep van sprake’ = een volk met een onbegrijpelijke taal (WNT 1916).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

diep 'kanaal, vaarwater'
De algemene betekenis is 'plaats waar het water diep is', een zeer ruime betekenis die zich uitstrekt van het kleinste stroompje tot de grootste zeeboezem.
Oudste attestatie: wrsch. eind 7e eeuw - 817 kopie 1150-1158 iuxta fluuium Maresdeop (Marsdiep)1. De beperkte verspreiding van diep duidt op een substraatwoord2.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 243, 2EWN I 569.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

diepje Omstreeks 1992 opgetekend in Gent, in de vorm diepke. Mogelijk moet men hier denken aan ‘iets dat diep valt’. Ook de — veel oudere — uitdrukking te diep in het glaasje kijken kan van invloed zijn geweest. In het Middelnederlands zei men al diepe drinken voor ‘zwaar drinken, te veel drinken’. Elders niet aangetroffen.

[Stoett 1:165]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Diep van den Germ. wt. dup en den Idg. wt. dhub = diep zijn; verwant is: doopen = in de diepte doen, evenals dompelen (de Voorgerm. wt. was: dhumb). Ook dop behoort hiertoe: het woord wijst op de diepte, de holte, evenals het Hgd. Topf een pot beteekent.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

diep ‘ver naar beneden’ -> Negerhollands diep, dip ‘ver naar beneden’; Berbice-Nederlands dipu ‘ver naar beneden’; Sranantongo dipi ‘ver naar beneden, geheim, zuiver, ingewikkeld’ (uit Nederlands of Engels); Surinaams-Javaans dipi ‘ver naar beneden (in formeel taalgebruik)’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

diep* ver naar beneden 0701-800 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

421. Te diep in 't glas (glaasje of de flesch) zien,

d.w.z. te veel, overmatig drinken. Ook zegt men: Hij heeft te diep in de kan gekeken, ‘dat wil zeggen, hy heeft de kan uitgepooit, en den bodem gezien’ (Tuinman I, 120), welke uitdr. in de 17de eeuw voorkomt (zie V. Moerk. 492 en 561) naast hij heeft te diep gewetert (Smetius, 211). Ook in het hd. zegt men: er hat zu tief ins Gläschen geguckt (Wander I, 1694) en in het Westphaalsch: hai hat te daip int glas kieken (Woeste, 47 b); vgl. ook Eckart, 158: he het to têf int Glas käken; 58: he hett to dêp in den Buddel kûke. Te vergelijken hiermede is het eng. to drink deep en het mnl. diepe drinken, in den zin van zwaar drinken, te veel drinken. In Zuid-Nederland ook: hij heeft te veel om hoog gekeken (Schuermans, 420 b, dat men kan vergelijken met Afrik. hy het in de son gekijk); in de flesch of in het glas gezien hebben; in het Haspengouwsch te diep in de flesch zien (Rutten, 67); bij Teirl. 317: Te diep in 't glas, in de pente, in de kanne kijken; Afrik. hy het in die bottel gekijk (Boshoff, 337); elders door 't glazeken gekeken hebben (Nav. 1897, bl. 60); te diep in 't kanneken kijken (Volksk. XIV, 144); fri. hy het to djip yn 'e romer sjoen.

2531. Stille waters hebben diepe gronden,

d.w.z. ‘in (of achter) lieden, die zich weinig uitlaten, zit (steekt) dikwijls meer dan men naar den uiterlijken schijn vermoeden zou. Vaak gebezigd met betrekking tot of in toepassing op min gunstige eigenschappen (arglistigheid, dubbelhartigheid, valschheid en derg.)’; Ndl. Wdb. V. 934. Dit spreekwoord komt, zooals Wander IV, 1813-1814 aantoont, in zeer vele Europeesche talen voor. Voor het Latijn vgl. Cato, Dist. 4, 31: quod flumen placidum est, forsan latet altius unda of altissima quaeque flumina minimo sono labuntur; non credas undam placidam non esse profundam (Werner, 56); gri. σιγηρου ποταμου τα Βαθη γυρευε (Krumbacher, 71); sigma;ιγηρος ποταμος κατα γην Βαθυς. Voor onze taal zie Dist. Cat. bl. 49:

 Die ghene die zwighen ende lettel spreken,
 Si conen vele quader treken;
 Men seit: die vloet, die stille staet,
 Soe es dieper dan die harde gaet.

Campen, 107: Stille wateren hebben diepe gronden; Spieghel, 279; Vondel, Jos. in Egypte, vs. 1260; Cats I, 458; 459:

 Ick heb het met 'er daet bevonden,
 In stille waters diepe gronden.

Van Moerk. 80; Winschooten, 347: Stille waaters hebben diepe gronden, het welk oneigendlijk beteekend, luiden die stilzwijgen, die weeten meer, als die geen die veel praats hebben: en in quaader sin: sij sien of sij geen vijf tellen konden, en sij hebbender wel tien in de mouw: sij hebbense (seggen sommige) agter haar ooren; De Brune, Bank. I, 108; 152; Starter, 420; Mergh 55; Paffenr. 95; Plaiz. Kyv. 26. Zie verder Tuinman I, 150; C. Wildsch. III, 39; Adagia, 2: alle stille waterkens hebben diepe gronden, simplex appatet, simplicitate caret; Halma, 768; Adagia, 59: stille waterkens hebben diepe grondekens; Sewel 940: Stille waters hebben diepe gronden, standing waters have muddy bottoms or are dangerous; silent men are thinking men, and not easily sonded or pumped; Harrebomée I, 261; Nederland, Aug. 1914, p. 462: En thuis zei hij geen woord meer dan noodig was: Stille wateren hebben diepe gronden; afrik. stille waters diepe grond, onder draai die duiwel rond; Eckart, 555; De Bo, 1372; Joos 147: stille waters hebben diepe gronden; hoe stiller water hoe dieper boôm; Antw. Idiot. 1420; Waasch Idiot. 630 b; 732 a: stille waterkens hebben diepe gronden; Ten Doornk. Koolm. III, 521; fri. stille wetters habbe djippe grounen; fr. il n'y a pire eau que celle qui dort; hd. stille Wasser sind tief; stille Wasser tiefe gründe; eng. still waters run deep.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut