Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dienst - (het dienen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dienst zn. ‘het dienen’
Mnl. dienst ‘het dienen, bediening’ [1220-40; CG II, Aiol], ‘eredienst’ [1236; CG I, 26].
Een in de meeste Germaanse talen voorkomende afleiding van pgm. *þewanōn- ‘dienen’, zie → dienen, met het achtervoegsel -st-, dat achter de stam plus de lange klinker werd geplaatst.
Os. thionōst; ohd. dionōst (nhd. Dienst); ofri. thianōst (nfri. tsjinst); oe. þēonōst; on. þjónusta (nzw. tjänst); < pgm. *þewanōst- ‘dienst’.

EWN: dienst zn. 'het dienen' (1220-40)
ANTEDATERING: onl. gotes dienestes 'godsdienstplechtigheden' [1150-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dienst* [het dienen] {1201-1250} van dienen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dienst znw. m. mnl. dienst m. o., os. thionost o., ohd. dionōst o., ofri. thiānost m., oe. ðeonest v.?, on. þjōnusta, þjōnasta (dit laat voorkomend en wel < os. thionost) gevormd met het zelden voorkomende -st- suffix (vgl. nog angst en ernst) van het ww. dienen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dienst znw. Afl. van dienen. Mnl. dienst m. (soms o.). = ohd. dionôst o. (nhd. dienst m.), os. thionost o., ofri. thiânost m. o., ags. ðêonest (v.?), on. þjônusta, þênasta v. “dienst”. Voor ’t suffix vgl. ernst.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dienst. Ofri. thiânost m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dienst m., Mnl. id., Os. thionost + Ohd. dionôst (Nhd. dienst), Ags. đéonest, On. þjónusta, reeds Ug. afleid. met suff. -st, van dienen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

dienst, (i.h.b.:) 1. (de), overheidsdienst. Hiertoe is een procedure in studie, waarbij ten behoeve van ambtenaren die naar de particuliere sector overgaan een overgangsperiode van bijv. een jaar in acht wordt genomen, alvorens het ontslag ingaat. Neijenhorst illustreerde dit met het voorbeeld van iemand die per september 1983 met ontslag gaat. Men verlaat dan nu al [september 1982] de dienst maar blijft nog een jaar in het genot van zowel de primaire- als de secundaire voorzieningen (WS 11-9-1982). - 2. (de, -en), dienstmeisje. Overdag heb ik een dienst en een tuinman, die de boel hier netjes houden (Slagveer 1968b: 25). - Etym.: (2) vermoedelijk ontstaan als afkorting van ‘dienstmeid’. - Syn. van 2 bediende*, meid* (2).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dienst ‘godsdienstoefening’ (bet. van Latijn ministerium)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dienst ‘(Surinaams-Nederlands) dienstbode’ -> Sranantongo dinst ‘dienstbode’.

dienst ‘het dienen’ -> Indonesisch dinas, dines ‘het dienen’; Ambons-Maleis diens ‘het dienen’; Jakartaans-Maleis dènes, dines ‘het dienen’; Javaans dhin, dhines, dhis ‘taak, werk; wachtdienst; (militaire) diensttijd; dienstkledij; ambtshalve, van overheidswege; gewichtig, ernstig’; Keiëes dis ‘het dienen’; Kupang-Maleis diens ‘het dienen’; Madoerees dinēs, dhinēs ‘het dienen’; Madoerees dhīs, ēddhīs ‘militaire dienst’; Makassaars dîs, dîsí ‘het dienen’; Menadonees diens ‘het dienen’; Minangkabaus dineh ‘het dienen’; Muna densi ‘het dienen, staatsdienst’; Sasaks dis ‘gouvernementsdienst’; Soendanees dinĕs ‘het dienen’; Ternataans-Maleis diens ‘het dienen’; Negerhollands dienst ‘werk’; Sranantongo dinst ‘dienstplicht’; Surinaams-Javaans dhines ‘dienst hebben’; Surinaams-Javaans dhis ‘stipt (op tijd), tot het einde toe (uitdienen van een contract), dienst (hebben), in dienst zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dienst* het dienen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

419. Aangeboden dienst is zelden aangenaam.

Deze spreekwijze wordt o.a. aangetroffen in de Prov. Seriosa, 123: Gheboden dienst es onwaert, dicitur oblatum fore servitum male gratum; bij Plantijn: Aengeboden dienst is dickwils onweerdt, service offert est souvent desdaingné, ou inagreable; Sartorius I, 10, 24: Merx ultronea putet, gheboeden dienst is onwaerdt; Servilius, 6*: Ad consilium ne accesseris antequam vocaris, onghebeden dienst en heeft gheenen danck; in de Adagia, 51: Opgedraeghen dienst behaeght alderminst. Een geheele litteratuur hierover vindt men bij Suringar, Erasmus, CXVIII; Harrebomée III, 160-161. Vgl. mlat. Est nimis ingratum servimen non vocitatum. (Werner, 28). In Twente zegt men: Aij de kat op 't spek bint wil ze 't nig vretten (zie Harreb. I, 384; Ndl. Wdb. VII, 1791; V. Schothorst, 149In den zin van: Men moet iets niet willen forceeren.); hd. ungebetener Dienst hat keinen Dank; oostfri. wen de mûs up 't spek bunnen word, dan fret he nêt (Dirksen I, 34); fri. as men de kat op 't spek bynt, wol se der net yn bite.

420. De eene dienst is d'anderen waard

of zooals men in de middeleeuwen zeide: Deen vrientschap brinct dander inMloop IV, 483.; in H. de Luyere, 22: Deen vrientscap is altoos dander weert; De Brune, 115: d'Een vriendschap is de ander weerd; bl. 153:

 De een Barbier den ander scheert,

 d'Een vriendschap die is d'ander weerd.bl. 388: Gheef my wat kaes, ick gheef u brood; de eene vriendschap d'ander noodt; Tuinman I, 265: De eene vriendschap is de andere waardig; in de Adagia, 14: d'Een vrintscap is d'ander weert, manus manum fricat; Harreb. I, 132: De eene vriendschap (of dienst) is de andere waard.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut