Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dienaar - (iemand die dient)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dienaar zn. ‘iemand die dient’
Mnl. diender ‘dienaar’ [1285; CG II, Rijmb.], diener ‘dienaar’ [1300-01; CG I, 2885]; vnnl. dienaer ‘gerechtsdienaar’ [1545; Stall.], “gerechtsbode, kluiver” [1548; Stall.], dienaer “dye dient ende dye eenich dinck helpt doen” (‘die dient en die enig ding helpt doen’) [1562; Kil.], dienere ‘dienaar, gerechtsdienaar’ [1562; Naembouck], diender ‘gerechtsdienaar’ [1617; WNT verdraaien]. NN is de specifieke vorm+betekenis diender ‘agent van politie’ [1840; WNT] en dooie diender ‘saaie man’ [1899; WNT sloome duikelaar].
Nomen agentis bij → dienen met het daarvoor gebruikelijk achtervoegsel → -aar en de oudere variant -er, en met -d-epenthese ook -der.
Tussen de vormen diener, diender en dienaar werd in het verleden niet altijd semantisch onderscheid gemaakt. In de moderne taal wordt de keuze tussen de achtervoegsels -aar en -(d)er meestal fonologisch bepaald door de werkwoordsstam; zoniet bij dit woord: diender heeft uiteindelijk in het NN een speciale betekenis gekregen. Er ontstond namelijk een vaste verbinding tussen de schout en zijn dienders, waarbij de diender de ondergeschikte van de schout was. Toen rond 1798 de schout uit het openbaar bestuur verdween bleef in de 19e eeuw de diender als politieagent over. Het is een enigszins derogatief woord uit de volkstaal en duidt thans vooral een weinig inschikkelijke, humorloze agent aan. Een dooie diender is een zeer saaie, fantasieloze man. De vorm diender heeft de algemenere betekenis ‘dienaar’ buiten het NN niet verloren, het West-Vlaams kent bijv. nog messediender ‘misdienaar’. Voor de betekenissen ‘lid van het winkel- of kantoorpersoneel’ en ‘lid van het huishoudelijk personeel van iemand van minder hoge rang’ wordt het jongere synoniem bediende gebruikt, het personeel van koningen en graven bestond uit dienaren.
dienares zn. ‘vrouwelijke dienaar’. Mnl. dienres ende dienreschen ‘dienaars en dienaressen’ [1450-70; MNW-P]; vnnl. dyenersse “Dienstmaecht” [1562; Kil.], dienaresse ‘dienstmaagd’ [1566; WNT justitie], dienaersse ‘dienstmaagd’ [ca. 1600; WNT dienaar], dienaeressen (mv.) ‘dienstmaagden’ [1604; WNT teeken]. De oudste vormen zijn afleidingen van diener, de jongere van dienaar, met het achtervoegsel → -es. ♦ bediende zn. ‘iemand die (be)dient’. Vnnl. bediende ‘ondergeschikte’ [1684; WNT Supp. aziatisch], bedienden (mv.) ‘beambten’ [1699; WNT uitvoeren]. Wrsch. ontleend aan Duits Bedienter met een aan het Nederlands aangepaste uitgang.

EWN: dienaar zn. 'iemand die dient' (1285)
ANTEDATERING: uan den dienres 'van de bedienden' [1236; VMNW]
EWN: ♦ bediende zn. 'iemand die (be)dient' (1684)
ANTEDATERING: Eerst bediender als in: Een bediender … des warachtigen tabernakels 'een dienaar van het waarachtige tabernakel' [1526; iWNT tabernakel]
Later: dan ons noch onsen bedienden 'ons noch onze ambtenaren' [1647; Antwoordt Sweeden, 8] (EWN: 1684)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dienaar znw. m. naast diender, mnl. dienre, dienāre, mnd. dēner, mhd. dienære, diener, ofri. tiener is met het uit het latijn overgenomen suffix -ārja van dienen gevormd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dienaar, diender znww. Afl. van dienen. Beide < mnl. dienre (dienâre) m. “dienaar”. = Teuth. dienre, mhd. dienæ̂re, diener (nhd. diener), mnd. dêner, ofri. tiener m. “id.”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

die’naar (de, -s), man die als vrijwillige en onbezoldigde hulpkracht van een E.B.G.*-kerk tijdens de dienst collecteert en verder de dienaressen* zo nodig helpt bij hun taak. De gemeente brengt haar offerande*, eerst voor de gemeente, daarna voor de armen (). De dienaars brengen de offerande naar voren (Gezangboek E.B.G. 1960: 424). - Etym.: S dinari. - Zie ook: hoofddienaar*.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

diendertje In de jaren dertig van deze eeuw in Amsterdam gehoord voor ‘borreltje’. De bronnen zijn over deze borrelnaam niet duidelijk. Mogelijk gaat het om een variant van de oudere, Vlaamse borrelnamen gendarm of sjampetter. Het is ieder geval zeer waarschijnlijk dat deze borrelnaam de politie bespotte, die indertijd scherp optrad tegen de productie en verkoop van clandestien gestookte jenever.
Vergelijk politiepet.

[Stoett 2:83; Zaal 91]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dienaar ‘ondergeschikte’ -> Negerhollands diener, dienar, dienaer ‘persoon die iemand of iets dient’; Sranantongo dinari ‘kerkdienaar, lijkbewasser’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dienaar ondergeschikte 1348 [MNW]

diender* politieagent 1866 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut