Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dief - (iemand die steelt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dief zn. ‘iemand die steelt’
Mnl. dief dief, galgebrok [1240; Bern], ‘iemand die steelt’ [1271-72; CG I, 210].
Het woord komt uitsluitend in het Germaans voor. Verwanten in andere Indo-Europese talen zijn niet met zekerheid aan te wijzen, waarschijnlijk is het een substraatwoord.
Os. thiof; ohd. thiob (nhd. Dieb); oe. þēof (ne. thief); ofri. thiāf (nfri. tsjeaf); on. þjófr (nzw. tjuv); got. þiufs; < pgm. *þeuba- ‘dief’.
Er wordt wel eens verband gesuggereerd met Grieks entupás ‘hurkend’, Litouws tūpiù, tũpti ‘neerhurken’, Lets. tupt ‘id.’; < pie. *teup- ‘hurken (om zich te verbergen)’ (IEW 1085), maar dat lijkt ver gezocht. Eerder is aan te nemen dat het om een woord uit een substraattaal gaat, dat de oude pie. vorm *klep- (IEW 604), die in → kleptomanie en nog in got. hlifan ‘stelen’ voortleeft, heeft verdrongen.
In het Germaans gaf dief iemand aan, die stiekem iets wegneemt, dit in tegenstelling tot rover, zie → roven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dief* [iem. die steelt] {1201-1250} oudsaksisch thiof, oudhoogduits thiob, oudfries thiaf, oudengels þeof, oudnoors þjófr, gotisch þiufs; mogelijk is het woord verwant met grieks entupas [gehurkt], litouws tupėti [hurken], en zou ‘hurken’, als het ware ‘wegduiken’, de grondbetekenis zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dief znw. m., mnl. dief, os. thiof, ohd. diob (nhd. dieb), ofri. thiāf, oe. ðēof, on. þjōfr, got. þiubs. — Zie: diefstal en dievegge.

De germ. grondvorm *þeuƀa kan teruggaan op idg. *teupŏ en dan verbonden worden met gr. entupás ‘hurkend’, lit. tūpiù, tūpti ‘ergens weghurken’, tŭpiù, tŭpė́ti, lett. tupt ‘hurken’ (IEW 1085); dan daarmee ook verwant doft. De bet. ‘iemand die hurkt (om ongezien te blijven?)’ is als uitgangspunt van ‘dief’ weinig bevredigend. Het uitsluitend voorkomen op germ. gebied van dit woord kan herkomst uit een substraattaal doen vermoeden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dief znw., mnl. dief m. = ohd. diob (nhd. dieb), os. thiof, ofri. thiâf, ags. ðêof (eng. thief), on. þjôfr, got. þiubs m. “dief”. Het got. bijw. þiubjo “heimelijk” wijst er op, dat de wortel teup-, tup- ospr. beteekende “heimelijk iets verrichten”. Verwant met ier. teol (*teup-lo-) “dief”, lit. tupė́ti “op zijn hurken zitten”, tũpti “neerhurken”. Zie dievegge.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dief. Ier. teol ‘dief’ wsch. niet hierbij: Pedersen KGr. II, 649.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dief m., Mnl. id., Os. thiof + Ohd. diob (Nhd. dieb), Ags. đéof (Eng. thief), Ofri. thiáf, On. þjófr (Zw. tjuf, De. tyv), Go. þiufs met bijw. þiubjo = heimelijk + Oier. teol (*teuplos) = dief, Lit. tupéti = op zijn hurken zitten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

deef (zn.) dief; Vreugmiddelnederlands dief <1240>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gelegenheid maakt de dief (vert. van Latijn occasio facit furem)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Als een dief in de nacht, heimelijk, onopgemerkt; volkomen onverwacht.

Paulus en Petrus waarschuwen beiden dat de dag des Heren, de oordeelsdag, als een dief in de nacht zal komen, dus zonder dat iemand erop bedacht is. 'U weet zelf maar al te goed dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht. Als de mensen zeggen dat er vrede en veiligheid is, worden ze plotseling getroffen door de ondergang' (1 Tessalonicenzen 5:2-3, NBV; zie ook 2 Petrus 3:10). Deze vergelijking vinden we al in het zestiende-eeuwse Nederlands, onder andere bij Coornhert. In het moderne Nederlands wordt zij toegepast op alles wat zich in het verborgene of onverwacht voltrekt.

Deux-Aesbijbel (1562), 2 Petrus 3:10. Maer de dach des Heeren sal komen als een Dief inder nacht.
Postma speelde Johan Wever aan en als een dief in de nacht sloop Wever langs z$n directe tegenstander om driftig uit te halen. Vanaf de zestienmeterlijn spoot de bal achter doelman Ronald van de Kraan: 0-1. (Meppeler Courant, sept. 1994)
[Over Europese steun aan het NAVO-dubbelbesluit inzake kernwapens:] Niet eens als dieven in de nacht, maar voor het oog van het volk schenden zij [de Europese regeringen] geest en letter van de grondwet door soevereiniteit uit handen te geven. (W.L. Brugsma, Europa Europa, 1983, p. 171)
'Wat heb ik u misdaan?' 'Gij niks.' 'Wie dan wel?' 'Wie denkt ge?' 'Ge gaat hiervoor boeten,' zegt Alma bitter. 'Begin maar.' 'Wanneer ge $t minst verwacht.' 'Lijk een dief in de nacht?' 'Wacht maar'. (H. Claus, De Geruchten, 1997, p. 112)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Dief Diefje Onder zeetrektellers gebruikte naam voor iedere Stern, waarvan niet vastgesteld kan worden of het een Visdief of een Noordse Stern betreft (Platteeuw et al. 1994). Aanvankelijk werd de semi-komische naam ‘Noordse Dief’ of ‘Noords Diefje’ gebruikt, later werd in het spraakgebruik vaak volstaan met ‘Diefje’ [“Vandaag was de zee wat heiig, we konden de vele Diefjes niet goed tellen.”]. Het determinatieprobleem heeft in Engeland geleid tot de naam ‘Comic Tern’ (letterlijk: komische stern), waarin comic ontstaan is door samenvoeging van common en arctic (E Common Tern = Visdief en E Arctic Tern = Noordse Stern).
Het element -dief(je) komt nogal eens voor in N vogelnamen. Waarschijnlijk werd in een aantal gevallen de vogel door de naamgever misgund waarvan hij beticht werd de dief te zijn (Kiekendief!). In een aantal gevallen, waarin de ‘diefstal’ ‘onbetekenend’ werd geacht, zoals bij Visdiefje (deze soort eet slechts kleine visjes) of bij de volksnaam Garendiefje ↑, werd het gebruik door de verkleinvorm -diefje vergoelijkt.
ETYMOLOGIE N dief Deef [Hutterer p.298] thiof; D Dieb diob; E thief ðeof; fries dief, verouderd tsjeaf tjuv, noors/deens tyv, ijslands þjófur þiófr; gotisch þiufs, þiubis; germ *theuba *teup, mogelijk verwant met Gr ἐν-τυπάς entupás ‘hurkend, ineengedoken’, lets tupt en litouws tupiu ‘ergens weghurken’, als men er van uitgaat dat een dief zich na de daad verstopt, ‘onderduikt’, ‘weghurkt’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dief ‘iemand die steelt’ -> Frans dialect † dive ‘listig; mus’; Negerhollands dief, dif ‘iets heimelijk wegnemen, stelen’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † dif ‘iemand die steelt’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dief* iem. die steelt 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

416. Die eens steelt is altijd een dief,

d.w.z. wanneer men eens iets bedreven heeft, wordt men er altijd op aangezien, behoudt men altijd den naam daarvan. Immers, zoo zeide men reeds in de middeleeuwen:

 Wie XXX dogheden begheet,
 Eest dat hi eens omme sleet,
 Der doghet wert vergheten al,
 Maer de mesdaet hout ghetal.Mnl. Rijmspreuken, no. 76.

of, gelijk opgeteekend staat in Belg. Mus. VI, 202, 529: De werelt es alsoo ghescepen, heeft hem iemant iet mesgrepen, ende comt hi in der liede mont, sone mach hi werden niet ghesont. De zegswijze vinden we o.a. in de Prov. Communia, 617: Steelt eens ende blyft ewelijck een dief, qui semel est furans furis nomen sibi durans. Zie verder Sart. II, 4, 85; De Brune, 218: Die maer eens steelt tot zijn gherief, die is altijds en blijft een dief; Harreb. I, 130 a; Ruiten, 51 a: Eens dief, altijd dief; Teirl. 316: Eene keer dief altijd dief; Taalgids V, 185 en vgl. Huygens VI, 209:

 Steelt ijemant eenen keer,
 Betrouwt hem nemmer meer.Vertaling van het Spaansche: Quien una vez hurta, Fiel nunca.

Ook in het Friesch zegt men: dy 't ienkear stellen het, moat altyd for dief gean; syn. van as de pôt ienris stjonkt, den stjonkt er altyd of dy 't ienkear de bûter opfretten het, het it altyd dien. In het hd., de. en zwe. is de zegswijze eveneens bekend; zie vooral Wander IV, 800-801: Wer einmal stielt heisst immer ein Dieb; in 't eng. once a knave ever a knave.

417. De gelegenheid maakt den dief,

d.w.z. ‘wanneer de omstandigheden het stelen mogelijk of gemakkelijk maken, wordt iemand allicht een dief. In oneigenlijke opvatting ook toegepast op het bedrijven van kwaad in het algemeen.’ Mnl. Stonde (of stade) leert stelen of doet stelen den dief; zie Bebel, 317; Goedthals, 31; Adagia, 10: de occasie maekt den Dief, en verder Harrebomée III, 159 a; Teirl. 466: de gelegenheid (of d'okkasie) maakt den dief. Vgl. met deze spreekwijze: de open deur roept den dief (bij Cats) en 't open gat, dat roept den dief (De Brune, 218; vgl. Harrebomée III, 157 bVgl. hd. Offene Tür verführt einen Heiligen; Sp. puerta abierta al santo tenta. Het gezegde komt in zeer vele talen voor; zie Simrock, die Deutschen Sprichw. 560.; Kluchtspel III, 250: Gelegenheid maakt genegenheid; oostfri. gelegenheid mâkt genegenheid un genegenheid mâkt dêfe (Dirksen I, 34); Wander I, 1528: Gelegenheit macht Diebe; fr. l'occasion fait le larron; eng. opportunity makes the thief; fri. de gelegenheit makket de dief.

418. Elk is een dief in zijn nering,

d.w.z. ieder zoekt op slinksche wijze voordeel met zijn beroep te doen; o.a. voorkomend in de Prov. Communia, 56: Alle man es een dief van synre neeringhe, quisque suo quaestu fur sicque tuo simul es tu. Bij Goedthals, 31: Elck is een dief in zijn ambacht, qui ne dérobe ne faict robe; Servilius, 236: elck is een dief in syn ambacht; Sartorius, III, 7, 97: elck is een dief tsynder neeringe, als vertaling van ad suum quemque quaestum aequum est esse callidum, dat we lezen bij Plautus Asin. 186. Zie verder R. Visscher, Brabb. 69: Elck is diefken sijnder hanteeringe; Idinau, 134:

 Te weten, oft waer is, dat men seght,
 Dat elck een dief is, in sijn ambacht;
 Want, so waerlijck doen sy een ieder recht
 Als eens lams sterckte gaet boven leeuwen kracht;
 Ten is 's wolfs aerdt niet, dat hy op den ram lacht.

Vgl. Baerdt, Deughden-Sp. 18: Dus weet, dat yeder een gewis een Boeffjen van sijn Nering is; Tuinman, I, 126; 366; II, 8; Halma, 110: Elk is een dief in zijne neering, chacun vole dans sa profession; Wander I, 589: Jeder ist ein Dieb in seinem Gewerbe (oder in seiner Nahrung oder in seinem Handwerk); nd. elk is 'n Dêf siner Nahrung (Eckart, 79); het ital.: ogn' uno ha'l suo impiccato all' uscio; de.: enhver er en Tyv i sin Naering (Bresemann, 222). Zie verder Bebel, 30: omnis homo nequam in proprio quaestu; Harrebomée I, 130 a; III, 159; De Cock1, 42; Waasch Idiot. 196 a: Elk is een duvel in zijnen stiel; Antw. Idiot. 1648: Iedereen is dief in zijnen stiel; fri.: hy is in dief yn syn eigen nearring.

2170. 't Is kwaad stelen waar de waard een dief is,

d.w.z. het is moeilijk iemand te bedriegen, die zelf een bedrieger of sluw is; het is moeilijk vossen met vossen te vangen (zie Prov. Comm. 656: t' is quaet vossen met vossen vaen); mlat. callidus est latro qui tollit furta latroni; fr. il est bien larron qui vol un larron. De zegswijze komt in de 16de eeuw voor in de Prov. Comm. 663; Goedthals, 38: tis quaet stelen, daer de weert een dief is, il est caut larron qui desrobe a un larron; V. Rijssele, Sp. der M. vs. 2196: Het is quaet stelen daer de weert een dief is; S. Andriessoon, Duytsche Adagia (anno 1550) p. 41: Tis quaet stelen daer de weert een dief is. Tis quaet hincken voor de gene die manck gaen, dat is, t' is quaet yemande een dinghen wijs te maken, dat hy selver verstaet, ende wel beter weet; Adagia, 63: t' Is quaet stelen daer den Weert is een Dief, hospes ubi fur est, durum subducere quidquam; Cats II, 216:

 't Is qualijck yet te stelen,
 Wanneer de huyswaert self die rolle weet te spelen.

Zie verder De Brune, 189; Suringar, Erasmus, XLV; Harreb. I, 130; Wander I, 588: einem Diebe ist böss stelen.

2690. (Aanv.) Kleine dieven hangt men (op) en groote laat men loopen.

Sedert de middeleeuwen is deze zegswijze bekend. Bern. S.I. 141 d: Die cleyne diefkens hangtmen, mer die grote laet men ghaen (vgl. Scaecspel, 38 vlgg.; Tijdschr. XXII, 19); Servilius 166: Die cleyne diefkens hangtmen die groote laatmen loopen; Sartorius III, 6, 51: De cleyne diefkens hangthy, de groote laet hy loopen; Cats, 529; De Brune, 217:

De cleyne dieven hangtmen licht.
Voor groote wert den hoet ghelicht.

Tuinman I, 77: De groote dieven hangen de kleine; daar aan is niet ongelijk: De kleine dieven hangt men, maar de groote laat men loopen; Harreb. I, 131; Ndl. Wdb. III, 2520; hd. die kleinen Diebe hängt man, die groszen läszt man laufen; fr. les gros larrons font pendre les petits; eng. the small thieves are hanged, the big ones go free; fri. de lytse dieven hinget men op, for de greate nimt men de hoed ôf.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut