Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dichten - (verzen maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dichten 2 ww. ‘poëzie schrijven’
Mnl. dichten ‘een tekst opstellen, redigeren, dichten’ [1260-80; CG II, Rein. G], ‘uitdenken’ [1265-70; CG II, Lut.K], ‘dicteren’ [ca. 1300; MNHWS].
Oude ontlening aan Latijn dictāre ‘met nadruk zeggen’, frequentatief bij dīcere ‘zeggen’, verwant met -tijgen in → aantijgen.
Ook in de andere West-Germaanse talen is dit woord vroeg ontleend en heeft het Primärberührung -kt- > -(c)ht- ondergaan: mnd. dichten ‘opschrijven, opstellen’; ohd. dihtōn ‘opschrijven wat men heeft bedacht’; ofri. dichta ‘opstellen’; oe. dihtan ‘dicteren, opdragen’ naast dihtian ‘dicteren’. In on. dikta ‘uitdenken, vervaardigen’ ontbreekt deze klankverandering; het is dus later ontleend. Zie ook de verleden tijd kocht van het eveneens vroeg uit het Latijn ontleende werkwoord → kopen.
De basisbetekenis is ‘met nadruk zeggen, herhaaldelijk zeggen’. Van daaruit kende dictāre al in het Latijn een divergerende semantische ontwikkeling die leidde tot de betekenis ‘voorzeggen’, waaruit door verdere specialisatie zowel ‘voorzeggen om neer te laten schrijven’ als ‘voorzeggen om te doen uitvoeren, gelasten, verordenen’ (zie → dictator) alsook ‘opstellen, bedenken’ en ‘dichten’ konden ontstaan. In het Middelnederlands had dichten in de betekenis ‘een tekst opstellen’ zowel betrekking op proza als op poëzie, zoals in de huidige taal → schrijven, een werkwoord dat in het Middelnederlands alleen op de mechanische bezigheid werd toegepast, waardoor het semantisch duidelijk verschilde van dichten. De betekenis ‘dicteren’ ging na het Middelnederlands verloren en werd overgenomen door het recente leenwoord → dicteren.
dichter zn. ‘poëet’. Mnl. (mv.) dichtren ‘dichters’ [1265-70; CG II, Lut.K]. Nomen agentis met het achtervoegsel -er (zie → -aar) bij het werkwoord dichten.

EWN: dichten 2 ww. 'poëzie schrijven' (1260-80)
ANTEDATERING: al da na degted Hejnric 'op grond daarvan dichtte Henric' [1200; VMNW]
Later: dichten 'dicteren' [1240; VMNW] (EWN: ca. 1300)
EWN: ♦ dichter zn. 'poëet' (1265-70)
ANTEDATERING: dichtre 'schrijver' [1240; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dichten [verzen maken] {1350 in de betekenis ‘dicteren, een werk samenstellen (zowel in proza als in poëzie), uitdenken, beramen’} < latijn dictare [herhaaldelijk zeggen, dicteren] (vgl. dicteren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dichten [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: volgens E. Polomé, RBPhH 44, 113 [1966] is het niet gerechtvaardigd om voor de betekenis ‘verzinnen’ te denken aan invloed van een germ. woord dat met lat. fingere ‘vormen’ verwant zou zijn.

dichten 1 ww., mnl. dichten ‘een werk samenstellen, schrijven’; (in mystieke lit.) ‘uitdenken, verzinnen’ (vgl. nnl. opdichten en verdichten) < lat. dictāre ‘dicteren’. Reeds in het ohd. (bij Otfrid) komt het ww. tihtōn, dihtōn voor in de bet. ‘opschrijven, wat men bedacht heeft’, verder mnd. dichten, ‘opstellen, opschrijven, bedenken’ (< *dichtōn) en ofri. dichta ‘een stuk opstellen’, oe. dihtan ‘dicteren; ordenen, opdragen’, naast dihtian ‘dicteren’ (on. dikta ‘uitdenken, vervaardigen’ is ontleend aan mnd. dichten) met grondvorm *dihtjan.

De betekenissen ‘dicteren’ en ‘uitdenken, verzinnen’ lopen zo zeer uiteen, dat men aan twee ww. gedacht heeft, het ene ontleend aan lat. dictāre en het tweede een germ. woord, dat nog voortleeft in mhd. tichen ‘scheppen, uitvoeren’, dat men met lat. fingere ‘vormen’ (waarvoor zie: deeg) verbonden heeft (Kluge-Mitzka 131).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dichten ww., mnl. dichten “een werk samenstellen, schrijven”, ook (vooral in mystieke literatuur) “uitdenken, overpeinzen”. Uit lat. dictâre in de bet. “samenstellen en opschrijven” ontleend, evenals ohd. tihtôn, dihtôn, door Otfrid het eerst gebruikt voor “opschrijven wat men eerst overdacht heeft”, in tegenstelling tot de oude gezongen poëzie (nhd. dichten), mnd. dichten “opschrijven, opstellen, bedenken”, ofri. dichta “opstellen (een stuk, brief)”, ags. dihtan “ordenen, opdragen” (eng. to dight “sieren”) naast dihtian “dictare”, on. dikta “uitdenken, vervaardigen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dichten. Ags. dihtan ook = ‘dictare.’ De bet. ‘uitdenken’ nog in nnl. opdichten en verdichten (mnl. in de bet. ‘vertellen, beschrijven’, bij Kil. ‘verzinnen’).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dichten (Latijn dictare)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dichten ‘verzen maken’ -> Duits dichten ‘verzen maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens digte ‘verzen maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dikte ‘verzen maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds dikta ‘verzen maken’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dichten verzen maken 1350 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut