Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

diaspora - (verspreide, verstrooide bevolking; de gebieden waar deze bevolking woont), meestal gebruikt met

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

diaspora zn. ‘verspreide, verstrooide bevolking; de gebieden waar deze bevolking woont’, meestal gebruikt met betrekking tot de Joden
Nnl. diaspora ‘het uit eigen land verdreven zijn en wonen tussen andere volken’ [1847; Kramers], ‘het leven tussen andersdenkenden’ [1919; WNT Aanv.], ‘de Joodse gemeenschappen buiten Palestina’ [1920; WNT Aanv.], ‘het leven tussen andere etnische groepen’ [1949; WNT Aanv.].
Ontleend aan Grieks diasporā́ ‘verstrooiing’, afleiding van het werkwoord diaspeírein ‘verstrooien’, gevormd uit → dia- ‘door, uit’ en speírein ‘zaaien, uitstrooien’, zie → sperma.
In eerste instantie werd met de diaspora de verstrooiing van het Joodse volk na de val van Jerusalem en de verwoesting van de tempel in 71 na Chr. bedoeld, later worden er de Joodse gemeenschappen buiten Israël mee aangeduid, zowel in oud-testamentische tijden als na de verwoesting van de tempel. In ruimere zin wordt het woord daarna ook gebruikt voor geloofsgemeenschappen en bevolkingsgroepen die zich verbannen voelen.

EWN: diaspora zn. 'verspreide, verstrooide bevolking; de gebieden waar deze bevolking woont' (1847)
ANTEDATERING: de geloovigen van de Diaspora [1838; GGB, 382]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

diaspora [verstrooiing] {1847} < grieks diaspora, van diaspeirein [uitstrooien], van dia [uiteen] + speirein [zaaien, strooien].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

diaspora s.nw.
Verstrooiing van geloofsgenote, veral gesê van die Jode buite Palestina na die Babiloniese gevangeskap.
Uit Ndl. diaspora (1847).
Ndl. diaspora uit Grieks diaspora, met lg. van diaspeirein 'uitstrooi', 'n afleiding met dia- 'uiteen' van speirein 'saai, strooi'.
D. Diaspora (19de eeu), Eng. diaspora (1876), Fr. diaspora, Sp. diáspora.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Diaspora, (lett.) verstrooiing; de verdrijving uit eigen land of streek met daarop volgend de verspreiding over andere gebieden van een volk of bevolkingsgroep; ook: de buiten hun oorspronkelijke woongebied wonende volken of bevolkingsgroepen. In oorsprong toegepast op het joodse volk, later ook op anderen. Zie ook Verstrooiing.

Het Griekse woord diaspora is afkomstig uit de Septuaginta, de Griekse bijbelvertaling van het O.T. die enkele eeuwen voor Christus vervaardigd werd. Op de desbetreffende plaats, Deuteronomium 28:25, voorzegt Mozes de toekomst van het volk dat God niet gehoorzaam is: 'De HEER zal de overwinning aan uw vijanden schenken: als één man gaat u op hen af, maar naar alle kanten zult u uiteenstuiven' (NBV). Op deze plaats wordt het begrip 'verstrooiing' in de Nederlandse vertalingen, alsook in de Vulgaat, slechts omschreven. In het Nieuwe Testament is van de equivalent verstrooiing sprake in Jakobus 1:1, waar de apostel zich richt tot de verspreid wonende christenen. Sinds de Babylonische ballingschap is het verstrooid of verspreid wonen een belangrijk element in de geschiedenis van het joodse volk, tot in onze tijd.
Het woord diaspora is pas recent, sinds het begin van de twintigste eeuw, in gebruik geraakt in het algemene Nederlands, mogelijk onder invloed van de ons omringende talen, waar we het sinds het einde van de vorige eeuw aantreffen. Eerst nog met betrekking tot het joodse volk, later ook tot andere volken die zich verspreiden en zelfs tot personen van een bepaalde overtuiging die zich buiten hun eigen kring bevinden.

Twaalf daarvan [van de 127 parlementszetels] worden voorbehouden aan vertegenwoordigers van de diaspora, etnische Kroaten in het buitenland. Het zetelaantal voor de Servische minderheid valt terug van 12 op 3. (De Standaard, okt. 1995)
De CVP gooit het over een heel andere boeg. Zij werkt meer in de diepte voor het wederaantrekken van de kristen-demokratische diaspora. (De Standaard, nov. 1995)
Antisemitisme is, grof geschetst, te herleiden tot twee dingen: (1) [...]. (2) Jaloezie over het aantoonbare feit dat veel joden in de diaspora, temidden van andersgezinden, in goeden doen raakten. (De Volkskrant, 6-11-1999, p. 5R)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

diaspora (Grieks diaspora)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

diaspora verstrooiing buiten de landsgrenzen 1847 [KKU] <Grieks

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut