Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

diamant - (soort mineraal, edelsteen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

diamant zn. ‘soort mineraal, edelsteen’
Mnl. diamas, dyamas, adamas en adamant ‘diamant, magneetsteen’ [alle 1287; CG II, Nat.Bl.D], dyamant ‘edelsteen’ [14e eeuw; MNW-R], diamant ‘id.’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. dyamant [1528; LB 4 (1900), 261].
De vorm diamant is ontleend aan Frans diamant ‘id.’ [eind 12e eeuw; Rey] < Laatlatijn diamas (genitief diamantis) ‘diamant’. De andere Middelnederlandse vormen zijn direct uit het Laatlatijn en Latijn overgenomen. De Laatlatijnse vorm is wrsch. gevormd door metathese, onder invloed van het Griekse voorvoegsel → dia- ‘door-, uiteen-’, van vulgair Latijn *adimas. De vulgair-Latijnse vorm heeft zich klankwettig ontwikkeld uit Latijn adamas, (genitief adamantis) ‘staal, diamant’ < Grieks adámās (genitief -antos) ‘hard metaal, diamant’, gevormd uit → a- ‘niet’ en een vorm van het werkwoord damãn ‘bedwingen’, verwant met → tam. Grieks adámās betekende oorspr. ‘onbedwingbaar’ en vandaar ‘sterk, hard, niet te vernielen’, zodat het gebruikt kon worden voor zowel staal als het harde gesteente diamant. Via het Latijn kwam het woord in het Oudfrans terecht, waar het alleen nog ‘diamant’ betekent en als zodanig drong het ook in het Nederlands door.
Adamant was nog tot in de 17e eeuw een gebruikelijk woord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

diamant [edelgesteente] {diamant, diamas 1287} < middeleeuws latijn diamas, diamans, diamantus < latijn adamas (2e nv. adamantis), adamans [staal, diamant] < grieks adamas [gehard ijzer, diamant], van adamastos [niet te temmen, onbuigbaar], van a- [on-] + damaō [ik bedwing, ik tem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

diamant znw. o., mnl. diamant m. < fra. diamant < lat. verbogen stam diamante van diamas. Dit woord ontstond uit een ouder adamas onder invloed van het gr. praefix dia- (in diaphainein ‘doorschijnen’), dat zelf weer teruggaat op gr. adámās. Uit deze kruising ontstond de vorm *adiamante, waaruit fra. adamant, aĩmant, aemant ‘diamant, magneet’ > mnl. adamant, ayamant, aimant ‘id.’ Het gr. woord adámās, waarmee ook staal aangeduid werd (de bet. ‘diamant’ komt het eerst bij Theophrastus voor), betekent eig. ‘onbedwingbaar’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

diamant znw., als stofnaam o., mnl. diamant m. Het Ndl. heeft, evenals andere germ. talen, dit woord ontleend aan fr. diamant, uit lat. diamas, -antis, naast ouder adamas, -antis (< gr. adámas “staal”). In het Mnl. ook adamant, aimant, ayamant m. uit ofr. adamant, aïmant, aemant, aiemant.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

diamant m. en o., Mnl. id., gelijk Mhd. diamante (Nhd. diamant), uit Fr. id., dat met It. en Sp. diamante, van Lat. adamantem (-mas), Gr. adámas = ontembaar, gevormd met het ontkennend a (z. -on) en een afleid. van damáein = temmen (z.d.w.): hoe ada- zich tot dia- vervormde, is nog niet uitgelegd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

diamant s.nw.
Baie harde, kosbare edelsteen van suiwer, gekristalliseerde koolstof.
Uit Ndl. diamant (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. diamant uit Fr. diamant uit Latyn diamas, diamans, diamantus uit Latyn adamas, adamantis, adamans 'staal, diamant' uit Grieks adamas 'verharde yster, diamant', met lg. van adamastos 'ontembaar, onbuigbaar' van adamao 'wat nie bedwing kan word nie', 'n afleiding met a- 'on-' van damao 'ek bedwing, ek tem'.
D. Diamant (13de eeu), Eng. diamond (ongeveer 1310), It. diamante, Port. diamante, Sp. diamante.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

diamant ‘edelgesteente’ -> Singalees diyamanti-ya ‘edelgesteente’; Japans † giyaman, jiamante ‘edelgesteente’; Sranantongo dyamanti ‘edelgesteente’; Saramakkaans djamátisítónu ‘edelgesteente’ .

diamant ‘klein lettertype, zo genoemd door de uitvinder Voskens’ -> Engels diamond ‘zeer klein lettertype’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

diamant edelgesteente 1287 [CG NatBl] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut