Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

devies - (zinspreuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

devies 1 zn. ‘zinspreuk’
Mnl. divisen (mv.) ‘kentekens, leuzen’ [1460-1514; MNW], devisen (mv.) ‘id.’ [1485; MNW livereye]; vnnl. devyse ‘wapenspreuk’ [1513; WNT], devijs ‘kenteken, leus’ [1544; MNW-R]; nnl. devies ‘zinspreuk’ [1726; WNT zon].
Ontleend aan Frans devise ‘wapenspreuk’ [voor 1560], eerder al ‘kenmerk, embleem, onderdeel van een wapenschild’ [1160; Rey], ontwikkeld uit de betekenis ‘verdeling, afdeling’ [1150-70; Rey]; bij Oudfrans deviser ‘verdelen, indelen’ [1119; Rey] (Nieuwfrans diviser) < vulgair Latijn *divisare, devisare ‘id.’, dat weer is afgeleid van Latijn dīvīsum, deelw. van dīvidere ‘verdelen’, zie → divisie.
De betekenis ‘kenspreuk, leus’ is in het Oudfrans door metonymie ontstaan in de sfeer van de heraldiek. Het woord duidde oorspr. elk van de vlakken of afdelingen aan in een wapenschild en werd vervolgens overgedragen op andere heraldieke symbolen, meer in het bijzonder op de wapenspreuk in een blazoen. Het Middelnederlands ontleende aan het Oudfrans nog andere metonymische en metaforische betekenissen van devies, namelijk ‘houding, voorkomen’, ‘soort. manier’ en ‘vonnis, uitspraak’, maar geen daarvan is in het hedendaags Nederlands overgeleverd.

devies 2 zn. ‘wissel, waardepapier’
Nnl. devies ‘wisselbrief, waardepapier’ [1847; Kramers], deviezen (mv.) ‘wisselbrieven’ [1871; WNT Aanv.], ‘buitenlandse valuta’ [1935; WNT Aanv.].
Ontleend aan Duits Devise ‘wisselbrief’ [ca. 1830] < Frans devise ‘zinspreuk’, zie → devies 1, een woord dat in het Frans ook gebruikt werd om de buitenlandse bankkantoren aan te duiden, wrsch. omdat iedere plaats op de wissels met een trefwoord of spreuk, een devies, werd gekenschetst.
Het woord werd gebruikt in de betekenis van ‘betalingsopdracht van kooplieden’, met name voor een in een buitenlandse plaats opgestelde opdracht (wissel). Sinds ca. 1900 wordt een buitenlandse wissel zo genoemd, zodoende ‘waardepapier als betaalmiddel voor buitenlandse schuld’, in welke betekenis het thans alleen nog in het mv. wordt gebruikt.

EWN: devies 1 zn. 'zinspreuk' (1460-1514)
ANTEDATERING: devisen van twee letteren 'kentekens van twee letters' [1434; iMNW veldinc]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

devies [zinspreuk] {devise [vonnis, uitspraak] 1265-1270} < frans devise, waarvan de betekenis zich ontwikkelde van oudfr. ‘het verdelen’ tot ‘blazoen’, in de 15e eeuw ‘citaat’, tot ‘karakteristieke uitspraak’ < middeleeuws latijn devisa [grens, wapenbeeld, distinctief, livrei], van devisare, divisare [afpalen, onderscheiden (o.a. door stroken op kleren te naaien)] < latijn dividere (verl. deelw. divisum) [verdelen, splitsen, scheiden, onderscheiden].

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

devies zinspreuk 1525 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut