Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deuvel - (houten pin)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

deuvel zn. ‘houten pin’
Vnnl. duevel ‘pin, pen’ [1540; MNHWS], ook devel in deur-develt ‘met deuvels doorboord’ [1584; WNT doordeuveld]; nnl. deuvel, naast dial. deugel (Vlaams), degel (West-Vlaams), devel (Frans-Vlaams). De vlaamse varianten met intervocalische -g- zijn toe te schrijven aan het courante mechanisme van g/v-wisseling. De vormen met -e- zijn westelijke ontrondingen.
De oorsprong van het woord is onzeker. Meestal ziet men hierin een afleiding met het Proto-Germaanse achtervoegsel *-ila, dat instrumenten aanduidt (zie → beitel), bij een grondwoord pgm. *dub-.
Mnd. dövel ‘pin, plug, spijker’ (> ne. dowel(pin) ‘pin, bout’; nde. dyvel); ohd. tubili ‘deuvel’ (mhd. tübel, nhd. Dübel, Döbel); < pgm. *dubila- ‘deuvel’. Op grond van de Oudhoogduitse vormen (hiernaast bovendien nog ohd. tubilari ‘schrijnwerker’, tubilen ‘als schrijnwerker bezig zijn’ en tubilunga ‘deuvel’), met Hoogduitse klankverschuiving, moet ontlening aan Oudfrans douelle, douille ‘duig’ [ca. 1200], verkleinwoord van douve < vulgair Latijn doga ‘vat’ (zie → duig) worden afgewezen. Als pgm. *dubila- inderdaad een afleiding van pgm. *dub- is (nnl. dial. doffen ‘slaan’; nnd. duffen ‘stoten, slaan’; ofri. dubben ‘id.’; oe. dubbian ‘(tot ridder) slaan’; on. dubba ‘uitrusten, gereedmaken’), dan zijn ook verwant nzw. dubb ‘pin, deuvik’, Oostenrijks-Duits tuppe ‘groot stuk hout’.
Pgm. *dub- hoort bij pie. *dhubh-, *dheubh- ‘slaan’ (IEW 268). Verwant kan ook nog zijn Grieks (zn. mv.) túphoi ‘wiggen’.
deuvelen ww. ‘met deuvels bevestigen’. Mnl. develen ‘id.’ [1449-51; MNHWS]. Afleiding van deuvel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deuvel* [pin] {develgat [spongat] 1549} middelnederduits dövel, oudhoogduits gitubili, met het instrumentale achtervoegsel l (vgl. bv. drevel) gevormd van een ww. met de betekenis ‘slaan’: nederduits dubben; verwanten buiten het germ. grieks tuptein [slaan], litouws dubelis [houten pen], oudkerkslavisch tupati [kloppen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

deuvel znw. m. ‘houten pin waarmee de bodem van een vat wordt bevestigd’, mnd. dövel, ohd. (gi)tubili o. (nhd. döbel, dübel > nde. dyvel), ne. dowelpin ‘pin, bout’. Gereedschapsnaam met de uitgang -ila (evenals drevel, sikkel) van een ww. *dub ‘slaan’ < idg. *dhubh vgl. gr. týphos ‘wig’, waaraan beantwoorden zonder suffix nzw. dubb ‘pin, deuvik’, nnoorw. dobb ‘ijzeren pin in een slede’, tirools tuppǝ ‘groot stuk hout’ (IEW 268). — Met een ander suffix zie deuvik.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

deuvel* pin 1549 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut