Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deuvekater - (soort zoet witbrood; tussenwepsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

duivekater zn. ‘soort zoet witbrood’; uitroep ‘drommels, verduiveld’
Mnl. duevekater, bijnaam van een bakker in Leiden [1450; WNT]; vnnl. duvekater ‘soort brood’ [1552; WNT wittebrood], duyvenkater ‘offerkoek, kerstbrood’ [1599; Kil.]; nnl. de duivekater ‘drommels’ [1802-9; WNT], deuvekaters, duivekaters ‘duivels, drommels’ [1904; WNT].
De oorsprong is onbekend. Aangezien het woord in de dialecten buiten Holland nergens autochtoon lijkt te zijn, is het mogelijk een woord dat het Hollands aan het Fries heeft ontleend, maar de omgekeerde weg valt evenmin uit te sluiten.
In uitroepen als duivekater! is het woord een bastaardvloek, om het woord → duivel te vermijden. Een samenstelling van duivel en → kater is semantisch plausibel omdat in het Middelnederlands ook kater voorkomt als aanduiding van de duivel; oorspr. zou dit dan een tautologie zijn, wat geen unicum is bij emotioneel geladen woorden.
De historische en semantische relatie tussen de betekenissen ‘duivel’ en ‘gebak’ blijft in het ongewisse. FvWS vermoedt dat deuvekater het oudst is als benaming voor het gebak en dat het eerste element een volksetymologische omvorming is van een onbekend woord. Het tweede, kater, zou dan mogelijk naar voorchristelijke dierenoffers verwijzen. Binnen deze hypothese, waarvoor overigens geen cultuurhistorische bewijzen te geven zijn, valt moeilijk in te zien, hoe het woord tot een bastaardvloek kon worden. Gaat men daarentegen uit van een grondbetekenis ‘duivel’, dan valt te overwegen of het woord van daaruit op het bedoelde gebak is overgegaan, al zijn over het motief voor zo'n overgang alleen gissingen mogelijk. Misschien werd zo'n broodje oorspr. gebakken ter gelegenheid van Kerstmis of Pasen, twee christelijke feestdagen die in het teken staan van de overwinning van het licht op de duisternis, van de Messias op de Satan; het nuttigen van het broodje was dan wellicht een bezwerend ritueel. Misschien moet het benamingsmotief worden gezocht in de oorspr. vorm van het gebak, waarin men de figuur of de kop van een duivel zou hebben herkend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deuvekater, duivekater [uitroep, fijn wit brood] {duyvenkater [gebak] 1599; als bastaardvloek 1802-1809; in 1450 kwam deuvekater voor als bijnaam van een Leidse bakker} misschien van duivel (middelnederlands cater is een naam van de duivel); wellicht betekende het dan oorspronkelijk ‘offer aan de duivel’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duivekater znw. m. ‘duivel’ vooral in uitroepen, vgl. ook fri. divekater, diveker, oostfri. düf(e)kater, döfkater, deufkater ‘duivel, booswicht’. Eigenlijk schijnt de naam een gebaksoort aangeduid te hebben: holl. deuvekater, duivekater ‘een soort van kerstbrood’, oostfri. düfekater, düfkater ‘paasbroodje’.

De verklaring van C. C. van der Graft, Elsevier’s Maandschrift 68, 1924, 376 vlgg., dat het 1ste lid het woord duivel zou zijn en het woord kater de herinnering aan heidense dierenoffers zou bewaren, is weinig waarschijnlijk. Want allereerst vinden wij in geen der aangevoerde vormen het woord duivel, maar uitsluitend duive en ten tweede was stellig de kater nooit een bij de Germanen gebruikt offerdier.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duivekater (duivel), vooral in uitroepen gebruikt, evenals fri. divek(at)er. = oostfri. düf(e)kater, dȫfkater, deufkater “duivel, booswicht”. Met bet.-verandering (onder invloed van duivel en kater) = dial. (holl.) deuvekater, duivekater “een soort van kerstbrood”. Vgl. ook oostfri. düfekater, dü̂fkater “paaschbroodje”. Al in 1450 komt deuvekater als bijnaam van een bakker te Leiden voor. Oorsprong onbekend. De afleiding uit fr. deux fois quatre is onjuist.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

duivekater. Waarschijnlijk het oudst als naam van het Kerstgebak, waarvan het tweede lid kater kan zijn en mogelijk de herinnering bewaart aan vroegere dierenoffers. Het eerste lid is dan wsch. = duivel, daar in de christelijke tijd de heidense handeling tot duivelbezwering werd gekerstend. Zie C. Cath. van de Graft Elsevierʼs Maandschrift 68 (1924, 2), 376 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

deuvekater 2 m. (duivel), is hetz. w. als ’t vorige, als euphem. voor duivel gebruikt.

deuvekater 1 m. (gebak), + dial. Zw. döfvelskatt, Oostfri. düf(e)kater, Mndd. dufkater: uit duivel en kat of kater; behoort tot de “nachahmende Gebäckformen”, daar de kat het heilige dier van Frîa was, welke godin, evenals alle heidensche goden, na de bekeering een duivel werd. De etymologie van Bilderdijk, nl. deux fois quatre, als bijnaam van een Leidschen bakker (1450), ontstond door het feit dat ze met achten (2 x 4) aaneengebakken worden gelijk de Fransche broodjes, de pistolets, de Loreinekoekjes en de haspelstoeten en dat de dubbel vier in ’t domino-spel Fransche bakker heet.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Duivekater of deuvekater, als naam voor een gebak, en als basterdvloek. In beide gevallen een samenst. van duivel en kater met wegvalling der l. De basterdvloek is later eerst in gebruik gekomen als verzachting van duivel zooals men ook duiker zeide. Daarvan weer b.nw. duivekatersch. De naam werd vroeger aan verschillend gebak gegeven, dat met kerstmis en nieuwjaar gegeven werd, wat terugging op een heidensch gebruik van vleesch-offerande, zoodat zulk een gebak een afbeelding was van een beest of deel van een beest (zie o.a. Boekenoogen, Zaansch Taaleigen). Men bedenke daarbij, dat de kat en den duivel steeds in nauw verband hebben gestaan, en ook katten geofferd werden tot bezwering van den duivel. In Z.-Holl. is nog bekend onder dien naam een krentenbrood van eigenaardigen vorm, langwerpig rond, met aan beide zijden aan de punt een wederzijdsche verbreeding; terwijl in Zaanland een ander gebak dien naam draagt. Daar men dikwijls op die gebakken een soort indeeling vond, meende men vroeger het woord te moeten afleiden van deux-fois-quatre. Het woord is misschien uit het Holsteinsch düvkater overgekomen, of er naast ontstaan, of een er mede. Het Zweedsch heeft dövfelskatt, wat aan eenheid van afkomst doet denken. Er is nog een woord duivekater bij de diamantbewerkers in gebruik voor een steen, die aan de eene zijde den vorm van een twee-, aan de andere van een vierpunt heeft, (Leviticus-Polak, Diamantbew., Aanh.), zoodat die naam misschien een vervanging is van een woord samengest. uit deux en quatre.
Bredero 2, 106: “Alle drie Koningen stuurde zy ons een moye Duevekater”; Boekenoogen: “We stuurden met Kersttijd altijd een. groote deuvekater na de peten”; Fokke Simons, Boert. Reis 2, 304: “De duivekater! ja !. .. dat is al eene heele malle historie.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

deuvekater, duivekater ‘kerstbrood’ -> Papiaments † devokat ‘kerstbrood’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

deuvekater tussenwerpsel: bastaardvloek 1802-1809 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

517. Duivekater.

In de uitdr. wat duivekater! = wat duivel! In het jaar 1450 komt deuvekater als bijnaam van een bakker te Leiden voor; voor de 17de eeuw zie V. Moerk. 471: Wat duivekater segh jy, dat ick mijn wesen verander? In het Mnd. was dûfkater bekend als naam voor den duivel (Lübben und Walther, 89 b). Kiliaen kent duyven-kater alleen in de bet. van een soort koek, in welken zin ook in het oostfri. düfekater, düfkater bekend is; Halma citeert alleen deuvekater, een wittebrood, evenals Sewel, 173: deuvekater, a Christmas loafVgl. Ons Volksleven I, 89 of Antw. Idiot. 167: aschkater, broôken dat op de heete steenen van den heerd gebakken wordt, en het hd. ofenkater, een soort koek (Hoeufft, 131). Dat dit duivekater niet kan zijn ontstaan uit deux fois quatre toont Boekenoogen aan in de Zaansche Volkstaal, 145.. De oorsprong van dit deuvekater, duivekater (onder invloed van duivel?) is tot nu toe onbekend (zie Franck-v. Wijk, 142). Vgl. verder oostfri. düf(e)kater, döfkater, deufkater, duivel, booswicht; Eckart, 80: de Diefkater schall di hôln; Molema, 94 a: duvekoater, duufkoater; fri. divekater; Boekenoogen, 145; Schuerm. Bijv. 74 b; Waasch Idiot. 197 a: duvelkoter(s) en vgl. droelikater, drommelkater, blikskater, donderkater (Molema, 83 a; Fri. Wdb. I, 285 b), dekselkater en het hd. bullerkater, bullkater. (Aanv.) Zie voor de afleiding van dit woord het artikel van Mej. Dr. C.C.v.d. Graft in Elsevier's Maandschrift, Dec. 1924 of in de Bakkersbondcourant van 7 Januari 1925.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut