Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deur - (beweegbare toegang tot huis, kamer etc.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

deur zn. ‘beweegbare toegang tot huis, kamer etc.
Onl. duri (mv.) ‘deuren’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. dore, duere ‘deur’ [1284; CG I, 831], dure; vnnl. deur.
Een erfwoord dat in het Germaans en ook in andere Indo-Europese talen voorkomt in de dualisvorm, als aanduiding van twee deurhelften.
Os. duru; ohd. turi (mv.) (nhd. Tür (ev.)); oe. duru (ne. door (ev.)), ofri. dure, dore (nfri. doarI (ev.)); on. dyrr (mv.) (nzw. dörr (ev.)); got. *dauro (alleen als accusatief mv. daurons); < pgm. *duri- ‘deur’, eigenlijk een dualisvorm.
Verwant met Latijn forēs (mv.) ‘deur’; Grieks thúra ‘id.’; Sanskrit dvā́rah ‘deur, poort’, Avestisch dvarem ‘poort, hof’; Oudkerkslavisch dvĭri (dualis) ‘deur’ (Russisch dveri, Tsjechisch dveře), dvorŭ ‘erf’; Litouws dùrys (mv.) ‘deur’, dvāras ‘erf’; Armeens durn ‘deur, hof’; Albanees derë ‘deur’ < pie. *dhur- ‘deur’ (IEW 278-79).
De -eu- van deur is ontstaan door umlaut van korte klinker in open lettergreep.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deur* [toegang tot woning e.d.] {oudnederlands duri (pl.) 901-1000, middelnederlands dore, doer(e), dure} oudsaksisch duru, dora, oudhoogduits turi, oudfries dure, dore, oudengels dor, gotisch daur [poort], oudnoors dyrr (mv.). Buiten het germ. latijn foris [deur, ingang], grieks thurā [idem], oudindisch dvāra- [deur, poort], oudiers dorus [deur] (vgl. durbar). De uitdrukking iem. voor de rode deur nemen [iem. kapittelen, eig.: voor het gerecht brengen] vindt zijn oorsprong in de gewoonte van middeleeuwse heren in de poort van hun sloten een rode deur te hebben. Degene die ter verantwoording werd geroepen, kwam voor de rode deur te staan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

deur [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: *dhures kan geen dualis zijn, de combinatie met een wortel *dheu̯ ‘vlechtwerk’ is zeer betwistbaar; zie E. Polomé, RBPhH 44, 113 [1966], die ook de oi. vormen bespreekt.

deur znw. v. mnl. dore, dure, doere, onfrank. duri, os. duru, dora, ohd. turi, ofri. dure, dore, oe. duru en on. dyrr (mv). Ten grond ligt een vorm *dhures dual. pl. — lat. foris, gr. thúra ‘deur’, oi. dvār, dvāras ‘deur, poort’, osl. dvĭri pl. ‘deur’, dvorŭ ‘erf’, lit. dùrys mv. ‘deur’, dvāras ‘erf’, lett. duris ‘deur’, oiers dorus ‘deur’, arm. durn ‘deur, hof’, alb. derë ‘deur’ (IEW 278-9).

Wij moeten uitgaan van een vlechtwerk, dat oudtijds als deur gebruikt werd; de dualis-vorm duidt natuurlijk niet op een tweevleugelige deur die veel later kon ontstaan, maar op de beide posten, waarin de deur geplaatst werd. Zo kan men uitgaan van een r-afleiding van de idg. stam. *dheu ‘vlechtwerk’. Voor verdere aanknopingen zie J. Trier, ZfdPh 70, 1949, 357-365. — Een taalkaart gaf van Ginneken in Taaltuin 1, 1932-3. 191-192.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

deur znw., mnl. döre, dȫre v. = onfr. duri, ohd. turi v. mv. (nhd. tür), os. duru, dora, ofri. dure, dore, ags. duru v., on. dyrr v. mv. “deur”. Al deze vormen gaan terug op een idg. consonantstam, het on. en ’t ndl. onfr. ohd. woord op den nom. mv. *dhur-es. De dualis en pluralis zijn ospr. = “tweevleugelige deur”. De stam *dhur-, *dhwē̆r-, *dhwō̆r- ook in gr. thúrda éxō Arkádes (Hes.), misschien ook in thúraze “naar buiten” (*thúras de); verder in oi. dvā́r, mv. dvā́raḥ, acc. dúraḥ, duráḥ “deur” (de d kan klankwettig uit dh ontstaan zijn in casus met een bh-uitgang). Ook de i-stammen lat. foris, obg. dvĭrĭ, lit. dùrys mv. “deur’’ kunnen op den cons.-stam teruggaan. Een â-stam in gr. thúrā, kymr. dor “deur”, lat. forâs “naar buiten”, alb. derε “deur”, een o-st. in got. daúr, ohd. (nhd.) tor, os. ags. dor (eng. door) o. “deur, poort” en met ablaut av. dvarǝm “poort, hof”, lat. forum (misschien ook umbr. furo; of idg. u?) “plein”, obg. dvorǔ, lit. dvãras “hof”. Vgl. nog got. daúrons v. mv. (uit ouder *ðurô- = gr. thúrā ontstaan), arm. duṙn, ier. dorus (*dhworestu-) “deur”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

deur v., Mnl. duere, dore, Onfra. duri + Ohd. turi (Nhd. türe), Ags. duru, Ofri. dure, On. dyr (Zw. dörr, De. dør); daarnevens een a-stam, Go. daur, Ags. dor (Eng. door), Os. dor, Ohd. tor (Nhd. tor) = Skr. dvār, Gr. thúra, Lat. foras, forum, Osl. dvĭrĭ, Ru. dwer = deur, dwor = koer, Lit. dùrys: Idg. wrt. dhṷer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

deur (zn.) deur; Aajdnederlands dure <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

deur I: s.nw., sluitstuk voor ingang v. kamer of kas, ens.; Ndl. deur verb. m. Hd. tür en tor, Eng. door, Lat. foris, “deur, hek” en foras, “buitenshuis”, asook forum, “openbare plek, bv. mark”, en Gr. thura, “deur”.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

deur: (jeugdtaal) onhandig persoon. Sedert de jaren tachtig en negentig.

Zijn brommer is altijd stuk. Dat kun je ook verwachten bij zo’n deur. (Marc Hofkamp & Wim Westerman, Aso’s, Bigi’s, Crimi’s. Jongerentaalwoordenboek, 1989)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

deur (een open -- intrappen) (vert. van Frans enfoncer une porte ouverte)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Aan iemands deur voorbijgaan, iemand niet treffen, gezegd van onheil en ziekten die algemeen rondgaan.

Toen het joodse volk nog zuchtte onder het juk van de Egyptische slavernij werd het feest van het Pascha ingesteld. Een van de voorschriften was, dat men zijn deurpost rood maakte met het bloed van het geslachte vee. Als de Heer dan Egypte doortrok om de Egyptenaren met rampen te slaan en ze zo te dwingen het joodse volk te laten gaan, wist Hij waar er joden woonden, en zou hij aan hun deur voorbijgaan (Exodus 12:23). Hoewel deur ook in andere uitdrukkingen 'huis' kan betekenen en iemands deur voorbijgaan ook wel gezegd wordt als men in het algemeen 'niet bij iemand naar binnen gaan' bedoelt, is het waarschijnlijk dat, waar het onheil of ziekten betreft, het bijbelverhaal van invloed is geweest bij het vormen van deze uitdrukking.

Liesveldtbijbel (1526), Exodus 12:23. Ende als hi dat bloet sien sal aen den ouerdorpel, ende aen die twee posten, so sal hi voorbi die deure gaen. (In de Statenvertaling (1637): de deure voorby gaen.)
Na de oorlog werd dit anders: niemand kon zich meer in slaap sussen met het idee dat de volgende oorlog wel weer aan Nederlands deur voorbij zou gaan. (NRC, feb. 1995)
In de eerste weken van de Servische bezetting hielden de moslims zich schuil in hun huizen, in de hoop dat de terreur aan hun deur voorbij zou gaan. (NRC, jan. 1995)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

deur. Ga de deur aan de buitenkant dichtdoen! Met deze verwensing, geuit in woede enz., zegt men niets anders dan ‘ik veracht je’, ‘hoepel op’. Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen ge kunt de deur langs buiten bekijken! Daarnaast is er de verwensing de deur uit met een balein in je rug! (Van Eijk (1978: 88)). De eigenlijke betekenis van balein is ‘veerkrachtige stof uit walvisbaarden verkregen’. Die betekenis ontwikkelde zich op haar beurt tot die van ‘reep, staafje van balein’ en ‘een dergelijke reep, staafje van hoorn of staal’. In de jaren vlak voor en na de oorlog regen de dames zich in corsetten die verstevigd waren met dergelijke baleinen. Bij een te nadrukkelijke zwaarlijvigheid konden die baleinen behoorlijk drukken en pijn doen. Naar deze letterlijke betekenis smaakt de verwensing nog nauwelijks. Zij drukt afkeur, ergernis, boosheid e.d. uit en betekent eigenlijk ‘ga weg, ik heb het helemaal met je gehad’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Deur, reeds in ’t Skr. dur, dvâr, en in de Veda’s dur. Bijna alle Idg. talen hebben een vrijwel gelijkluidend woord. De wt. is nog in ’t Skr. bewaard als dhur = wat tegenhoudt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

deur ‘toegang tot woning’ -> Frans dialect † dor ‘toegang tot woning’; Negerhollands deur, deer, door, dō ‘toegang tot woning’ (uit Nederlands of Engels); Berbice-Nederlands doro ‘toegang tot woning’; Sranantongo doro ‘toegang tot woning’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Daar wordt aan de deur geklopt [liedregel] (1915). In de tweede druk van de bloemlezing Sint Niklaas is jarig! uit 1915 staat het lied ‘De zwarte knecht in huis’, dat zo begint: “Daar wordt aan de deur geklopt, / Zacht geklopt, hard geklopt, / Daar wordt aan de deur geklopt, / Wie mag dat zijn?”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

deur* toegang tot woning e.d. 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

deur: de — dichtgooien, -slaan -houden, in de wielersport: zo naar de kant uitwijken — meestal tijdens de spurt — dat een achtervolgend renner die je wil passeren er niet langs kan en zelfs genoodzaakt is te remmen.

Een kleine tweehonderd meter vóór de finish raakten Vanderaerden en Kelly slaags. Eric, die doorstootte naar de leiding, voelde de Ier links van hem opdagen. Hij ging duidelijk van zijn lijn afwijken. ‘De deur dichtslaan’ zoals dat in het jargon heet. (Het Nieuwsblad, 05/07/85)
Een spurtje met drie dus met Oetsjakov als winnaar. De Oekraïner deed echter de ‘deur toe’ voor de langs binnen aanstormende Desbiens. (De Morgen, 17/07/97)
door één deur kunnen, goed met iemand overweg kunnen; compromissen kunnen sluiten.
Laat één ding duidelijk zijn: Huibregtsen en Geesink kunnen absoluut niet door één deur. De één vindt de ander verschrikkelijk, de ander geeft (uitsluitend binnenskamers) geweldig af op de primaire acties van de één. (Nieuwe Revu, 12/11/97)
‘Wie echt de sport wil dienen, kan met mij best door één deur,’ zegt hij. (Vrij Nederland, 28/02/98)
met zichzelf door één deur kunnen, het eigen gedrag moreel acceptabel vinden.
Haar ethisch-journalistieke roddelcredo luidt: ‘Kan ik nog met mezelf door één deur?’ (Nieuwe Revu, 17/12/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

410. De deur(en) openzetten voor iets,

d.w.z. gelegenheid geven om binnen te komen; vooral gezegd van misbruiken en verkeerde gewoonten, aanleiding geven tot, het binnendringen gemakkelijk maken; lat. fenestram patefacere ad aliquid; fibulam laxare. Bij Hooft in zijne Brieven, 326: De vieze naauwheidt van gewisse in deezen mishaagt my zelven eenigszins, en hebbe somtijdts in beraadt gestaan, oft niet beeter waar, den schoot te vieren, met spreeken van hoofsch Duitsch. Maar zoo men die deure open zet, ik zie niet waar 't eindigen wil met het verloop der taale. Vgl. ook 257: Entlijk verblijvende, staat haar altoos de deure noch open om ten lande uit te gaan. Zie verder Ndl. Wdb. III, 2464 en XI, 363, waar uit Cats wordt aangehaald de poorten open setten; en Harreb. I, 127 a: Daar staat eene wijde deur voor open; Wander IV, 1199; fr. ouvrir la porte à qqch.; hd. eine Sache Tür und Tor aufstellen, öffnen; eng. to open the door to (the gate for) a th.

411. Dat doet de deur dicht of toe.

‘Dit zegt men van iets, dat de zaak voldingt, door gelykenis van een gesloten deur, die geene opening tot uitvlugt over laat’ (Tuinman I, 358). Men wil hiermede zeggen: dat geeft de beslissing, den doorslag (Antw. Idiot. 1246), dat is het sterkste staaltje, dat is het toppunt. Volgens Ndl. Wdb. III, 2464 is deze zegswijze daaraan ontleend, dat na het laatstgenoemde niets meer ‘naar binnen hoeft, dat het gezelschap compleet is.’ In de 17de eeuw in de Gew. Weuw. III, 16; vgl. verder V. Janus, 109: Dit laatste doet de deur toe; III, 21: Dit derde en laatste woord doet de deur toe; Harreb. I, 127 a; Nest. 27; hd. dies wird die Tür zutun (Wander IV, 1195); fri. dat docht de doar ta. In het hd. kent men ook hiervoor: das schlägt dem Fasse den Boden aus of das setzt der Sache die Krone auf. In Zuid-Nederland heeft de zegsw. de bet.: dat overtreft alles, dat kan niemand aan (De Bo, 210 b; Waasch Idiot. 166 a: Zoo een erfenis doet de deur toe, is de moeite weerd).

412. Met de deur in huis vallen.

‘Dit drukt uit, dat ymand straks met het openen van de deur binnen stapt, zonder te vragen, en antwoord te wachten, of men ook inkomen mag. 't Wordt toegepast op zulke, die zonder omwegen of vertoeven iets verrichten’ (Tuinman I, 157). Oorspr. wil dus de uitdr. zeggen zonder te kloppen of te waarschuwen binnenkomen (in een woning, waar de buitendeur onmiddellijk toegang geeft tot een vertrek) en vervolgens bij uitbreiding onmiddellijk over eene zaak beginnen te spreken, waarop men eerst had behooren te zinspelen of waarop men iemand eerst had moeten voorbereiden. Deze uitdr. is algemeen bekend, en wordt o.a. aangetroffen in de 18de eeuw bij Van Effen, Spectator, V, 220 en in Willem Leevend I, 253: Met de deur in 't huis komen; zie ook Falkl. IV, 194; VI, 146; B.B. 320: Hij gaat zitten bij het raam en begint eerst over koetjes en kalfjes te praten, om niet in eens met de deur in het huis te vallen. In het hd. kent men eveneens mit der Tür ins Haus fallen; in de Rijn-provincie: dä fällt met der Schürendür en het Hûs; in Mecklenburg: de fallt mit de Dähr in 't Hûs (Eckart, 107); oostfri. mit de dör in 't hûs fallen; in het Zweedsch: han föll med dören i hüset, en in het Friesch: mei de doar yn 'e hûs falle. Zie Wander IV, 1192; 1195; 1197; 1199; Bresemann, 270 en Taalgids V, 153.

413. Voor de roode deur moeten gaan (of komen),

d.i. voor het gerecht komen, ook wel in algemeener zin: voor de heeren geroepen worden, voor de heeren moeten komen, om eene vermaning te ontvangen of zich te verantwoorden, voor het schapetafeltje (de schepentafel), op 't stoepje moeten komen (Ndl. Wdb. VI, 337). De oorsprong dezer zegswijze zal gezocht moeten worden in de gewoonte der middeleeuwsche heeren om in de poort hunner sloten eene roode deur te hebben. Wie den heer iets te vragen had, meldde zich hier aan, wie ter verantwoording geroepen werd of beklaagd kwam voor de roode deurFockema Andreae, blz 121; S. Muller Fz- Dom v. Utr. 9 a: De deuren zelven zijn rood geverfd. De kleur is geene uitzondering: alle deuren der kerk zijn, zoowel van buiten als van binnen, rood geverfd; toch zijn deze kerkdeuren bekend als ‘de roode deur’ bij uitnemendheid. Daar worden de bekendmakingen en de vonnissen van den bisschoppelijken officiaal aangeplakt, en ook de beleeningen der bisschoppelijke leenmannen hebben plaats voor de roode deur van den Dom. De deur zal wel rood geverfd zijn, omdat deze kleur in het algemeen het gerecht, vooral het halsrecht, aanduidt. Vgl. de roode roe, hd. der rote Meister (de beul), de roode tabberd van den rechter, het roode dorp (gevangenis).. Vgl. Sart. II, 9, 76: Ghy sult voor de roode deur gaen; Tuinman I, 41. Later verstond men onder voor de roode deur gaan, in het huwelijk treden, daar bijv. in Amsterdam de kamer in de Oude Kerk, waar de commissarissen van huwelijkszaken vergaderden, door eene rood geschilderde deur met een der zijbeuken van de kerk, die als wachtkamer dienst deed, was verbondenDe Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl, 172; Wagenaar, Amsterdam II, 96 b.. Zie Halma, 548: Zij gaan van daag voor de roô deur, ils vont aujourd' hui se fiancer à l'hôtel de ville; Sewel, 173; de Klucht van de bedroogen Smit, 1726, bl. 31: 'k Mien oock haest met een hartje voor de Roode deur te gaen. Thans is de uitdrukking weinig meer in gebruik; zie Harreb. I, 128 b; Ndl. Wdb. III, 2467; XIII, 1184; De Cock1, 70 en Schuermans, 93 b. Volgens Hoeufft, 498 zegt men in Breda: voor 't roode kleed komen of staan, trouwen, omdat in de zaal, waar zulks geschiedt, de tafel overdekt is met een rood kleed.

414. Voor de deur staan (of zijn),

d.w.z. te wachten staan, in het vooruitzicht hebben, gewoonlijk van iets onaangenaams. In de 17de eeuw zeer gewoon; bij Sart. II, 3, 59: ‘In foribus adest. περι τας θυρας παρεστι . Het staet voor de deur, quando quid instat atque in proximo est, tunc in foribus esse dicitur’; I, 6, 97: Als het eene kruys voorby was, soo stont dat ander voor de deur. Zie verder Cats I, 400 en 546: Waer blijdschap is in huys, is droefheyt voor de deur; vgl. ook Hooft, Ned. Hist. 27: Want als de Bulle gegheeven van Paus Paulus den vierden, en de bevestiging verleent door Pius den vierden kundigh werden, zagh men voor de deure zoodanigh een' wisseling der geestelyke heerschappye, dat, enz.; Hofwijck, vs. 12; Harreb. I, 61 a; Waasch Idiot. 166 b en vgl. het fri. foar de doar stean; hd. vor der Tür sein, in der Nahe sein, nahe bevorstehen.

601. Iemand het gat van de deur wijzen,

ook wel iemand het vierkante gat wijzen, d.w.z. iemand de deur wijzen, hem verzoeken of gelasten onmiddellijk het huis of de kamer te verlaten; mnl. enen door ende dorpel wisenMnl. Wdb. II, 308.. De uitdr. dateert uit de 16de eeuw; vgl. Campen, bl. 106: Ick wil hem tgat van der doere wysen. Dat het vierkante gat voor deur eveneens in dien tijd voorkwam, bewijst Kiliaen, die vierkant gat vertaalt door spatium ostii, en een plaats uit den Handel der Amoureusheyt I, 53:

Ick wedde dat hy (Aeneas) zal ruymen den stal
En heymelijck kiesen 't vierkante gaetken.

De uitdrukking is thans in geheel Noord- en Zuid-Nederland bekend. Joos citeert bl. 77: iemand het gat van den timmerman wijzen; De Bo, 341: het gat uitgaan of uittrekken, de deur uitgaan; iemand het gat van den timmerman toogen; zie ook Antw. Idiot. 445; Waasch Idiot. 230; Teirl. 446; Schuermans, 138 a en 732 b; Tuinman I, 301 en II, 199; in het fri.: immen it fjouwerkante gat of it gat fen 'e doar wize. Syn. is het Antw. iemand de klink van de deur wijzen. Vgl. het hd. jem. zeigen wo der Zimmermann das Loch gemacht (oder gelassen) hat; einem die Tür weisen.

1019. Oom(e) Jan,

d.i. een ironische naam voor den lommerd; ook wel Jan Snotneus geheeten (Boekenoogen, 1321); in Gron. de lange lepel.Molema, 538 a: Omdat het geld aldaar in een langen koperen lepel wordt geteld en overgereikt; fri. Jan Snotleppel. In de 16de eeuw bij Zuidndl. schrijvers alleen mijn oom (oomken, oompjen) genoemd, dat thans in Zuid-Nederland nog de gewone benaming is (De Bo, 749), terwijl thans in Noord-Nederland gebruikt wordt oom(e) Jan. In de 16de en 17de eeuw (en ook nu nog) werd gezegd Jan Oom; zie o.a. Tijdschr. XXIII, 242 (Jan v. Hout); Snorp. 16: Jan Oom bewaert mijn sundaegse kleeren; W.D. Hooft's Verloren Soon, 16 v:

Wy selle nou beget hongeren moeten lieren
Of brenghen tot Jan-ooms mantel en deuse klieren.

Zie Sewel, 590: Zyn Horlogie is by Jan oom; Boekenoogen, 1321: Jan Oome, de lommerd; Harreb. I, 353: Het is bij Jan oom; II, 146: Hij heeft geen bed om bij Jan oom te verzetten. Den naam Oome Jan trof ik in Amst. 62; 104; 114; 115; Boefje, 7; 31; Falkl. VI, 120; 130; Kalv. II, 151; 162; Sjof. 165; het Ndl. Wdb. VII, 183; XI, 21; Mnl. Wdb. V, 1611. In het Eng. heet de lommerd my uncle's of ook uncle three balls: in het Fransch ma tante (Dumont) of ook mon oncle (du prêt), le caoutchouc, le conservatoire, le plan; in het Hoogd. evenals in het Deensch mein Onkel maar ook mein Mantel steht Gevatter of lernt Hebraïsch of nimmt hebraïschen Unterricht, ist ein Waisenkind geworden. De naam zal wel hieruit ontstaan zijn, dat men slechts voorwendde naar een oom Jan te gaan, omdat men er zich voor schaamde iets naar den lommerd of achter de schuine deur te moeten brengenVercoullie, Beknopt Etym. Wdb. zegt i.v. Janoom: een oude oom, die geen kinders heeft of nog jonggezel is, is de geldschieter zijner neven.; Harreb. I, 128: Het gaat achter de schuine deur; Krat. 139: Mijn oorbellen die nòg achter de schuine deur staan; O.K. 163: M'n fijne lakensche jas en Sara's halsketting naar oome Jan - ze staan nòg achter z'n schuine deur; - Zondagsbl. van Het Volk, 1905, p. 118: Soms werd vader's trouwpak Dinsdag wel 'r eens stilletjes achter ‘de schuine deur’ gezet. S.M. 42: Ik heb zoo zoetjes an al heel wat van haar spulletjes naar oome Jan achter de schuine deur gebracht; bl. 98: We hebben onze horloges zoo lang achter de schuine deur gezet.

1712. Een gezicht als een oorworm,

d.i. een gemelijk, ontevreden gezicht, als een wesp, als een poelsnip, als de deur van het rasphuis (fr. avoir l'air comme une porte de prison); ook: kijken, een gezicht hebben, zetten als een oorworm, als uitdrukking van gemelijkheid, van onvergenoegdheid. Zie Molema, 44 b: hij 's zoo vrundelk as 'n oorwurm, waarvoor o.a. in Friesland ook gezegd wordt: hy sjucht as in toerre (tor), as in ûle (= norsch); Bergsma, 22: (voel) kiken as 'n oortiek. Hoogstwaarschijnlijk heeft de afschuw, dien men vanouds van den oorworm had, aanleiding gegeven tot het ironisch gebruik in deze uitdrukkingen. Naar aanleiding van er uitzien als een oorworm is men dan ook gaan zeggen: een gezicht zetten als een oorwormNieuwe Taalgids III, 10.. Vgl. Brederoo, Kl. van de Koe, vs. 154: Sy is so vriendelijck as een arm vol Katten, of as een oor-wurm; Winschooten, 367: Hij siet soo vriendelijk, als een oorwurm: hij siet nors, en als een bul, die stooten wil; Het kind van weelde of de Haagsche Lichtmis, anno 1679, I. 31: Hy zag my zoo vriendelyk als een oorwurm aan; Paffenr. 75: Sy sietter so lieffelyk uyt als eenen oor-worm; zie verder het Ndl. Wdb. XI, 194; Sewel, 969; Halma, 453; Harreb. II, 483 a; Nest, 62; Landl. 220; Leersch. 21; enz.In het nd. beteekent er ist wie ein Ohrwürmchen, hij is zeer vriendelijk, gedienstig (Reuter, 117)..

1721. Een open deur (of open deuren) intrappen of inloopen,

eene navolging van het fr. enfoncer une porte ouverte, renverser un obstacle imaginaire. Bij ons meer in den algemeenen zin van overbodig werk doen; hd. offene Türen einrennen. Vgl. Handelsblad, 23 April 1914, p. 2 k. 2 (ochtendbl.): En de heer Kl. trapte een open deur in door uit te schallen, dat het een groot rijksbelang was om Kamerleden het vervullen van hun functie met zoo weinig mogelijk opofferingen mogelijk te maken; De Arbeid, 11 Maart 1914, p. 1 k. 4: We zullen den heer B. even op den voet volgen. ‘Het N.A.S. is de Syndicalistische Centrale van het land’. Daar trapt waarachtig de heer B. een open deur in; Het Volk, 21 April 1914, p. 6 k. 1: Met bijeengegaarde citaatjes kwam hij betoogen dat de jeugdorganisatie..... sociaal-demokratisch was! Iets wat hij reeds uit haar naam had kunnen lezen! De heer N. trapte hier open deuren in; 1 Nov. 1913, p. 10 k. 4: Ofschoon ik met zeer veel belangstelling naar deze zeer belangrijke diskussies heb geluisterd, heb ik toch telkens het gevoel gehad: Wij trappen hier open deuren in, en wel deuren, die wagenwijd openstaan; Nw. School, VII, 129: Stakkers, die wij zijn, om daar moeizaam hele artiekels te schrijven (over onbeduidende werkjes)! Open-deur-intrappers zijn we. Ook een open deur inslaan; in Handelsblad, 26 Oct. 1923 (O), p. 5 k. 3: Dat er een vloot noodig is om onze neutraliteitsverplichtingen na te komen, is voor spreker het inslaan van een open deur. Dit laatste in Handelsblad, 30 April 1915 (O), p. 2 k. 3.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut