Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deun - (gierig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

deun 2 bn. ‘gierig, armoedig’
Mnl. done, doon, deune ‘stevig’ [1460; MNW]; vnnl. heeft ... de naem van deun te sijn geboren ‘heeft de naam gierig geboren te zijn’ [1625; WNT], als het deun met ... gestelt was ‘als het er bij ... schamel, karig voorstond’ [ca. 1635; WNT].
Mogelijk een afleiding bij het werkwoord deunen, een nog gewestelijk voorkomende variant van denen ‘spannen, uitstrekken’, van onl. thennon ‘uitstrekken, spannen’ [10e eeuw; W.Ps.].
Mnd. don ‘strak, gespannen’; mhd. don ‘stijf gespannen’; nfri. deun ‘schraal, gierig’. Daarnaast de zn.: os. thona ‘rank van een plant’, ohd. dona ‘pees’; < pgm. *þen-, *þan- ‘strekken, spannen’. En de werkwoorden: os. thennian ‘spannen, uitstrekken, uitspreiden’, ohd. dennen ‘id.’ (nhd. dehnen ‘uitstrekken’).
Pgm. *þen-, *þan- is verder verwant met: Latijn tenēre ‘houden’ (zie → tenor) en tendere ‘spannen’ (zie → tenderen); Grieks teínein ‘spannen, rekken’; Sanskrit tanóti ‘spant, rekt’; bij de wortel pie. *ten- ‘spannen’ (IEW 1066); zie ook → dun.
De grondbetekenis zal ‘strak gespannen, taai’ zijn geweest. In het Vroegnieuwnederlands ontwikkelt het woord als bn. en bw. een aantal metaforische toepassingen, waaronder ‘dicht opeen’, ‘nabij’, ‘dadelijk’, ‘streng, zeer’ en ‘nauw, eng, schraal’, waaruit zich dan ‘armoedig’ ontwikkelt. Bij overdracht op menselijke karaktereigenschappen evolueert de betekenis van ‘taai, hardnekkig’ tot ‘niet geneigd tot gulheid, gierig’.

EWN: deun 2 bn. 'gierig, armoedig' (1460)
ANTEDATERING: Vast ghevangen ende done ('vast, stevig') [1432; iMNW done II]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deun3* [gierig] {doon [stijf, hardnekkig] 1437, deun [gierig] 1625} limburgs doon [nabij], middelnederduits, middelhoogduits don [stijf gespannen], oudsaksisch thona [rank], oudhoogduits dona [pees], donen [spannen]; buiten het germ. latijn tendere [spannen], russisch tenjoto [jachtnet], grieks tanumai [ik strek me uit], oudindisch tanoti [hij spant]; vgl. deinen en dun.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

deun 2 bnw. ‘gierig’, zelden gebruikt; mnl. dōne, duene ‘stijf, gespannen, vast, stevig’ en als bijw. ‘zeer, dadelijk, nabij’, mnd. mhd. don ‘stijf gespannen’, dōnen ‘gezwollen zijn’, os. thona v. ‘rank’, ohd. dona v. ‘pees’ (nhd. dohne ‘vogelstrik’), dōnen ‘spannen’, on. þǫn ‘stokje om huiden voor het drogen te spannen’, zw. tana ‘pees’ (IEW 1066). — Nultrap van de idg. wt. *ten ‘spannen’, vgl. oi. tanoti ‘spant, strekt’, gr. tánumi ‘strek, span’, lat. tendo ‘spannen, uitrekken’, oiers tan ‘tijd’ (eig. het zich in de tijd uitstrekken’), tēt (< *tṇtā) ‘snaar’, lit. tìnstu, tìnsti ‘zwellen’, osl. teneto, tonoto ‘strik’. — Zie ook: deinen, deinzen en dun.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

deun II bnw. “gierig”, zelden in het beschaafde Ndl. gebruikt. De oudste bet. is “stijf, gespannen”; mnl. dōn(e), dȫn(e), oudnnl. doon, deun = “stijf, stevig”, als bijw. “zeer, dadelijk, nabij”, nnl. dial. komt nog deunen “strekken, spannen” voor. Vgl. vooral mnd. mhd. don “stijf-gespannen”, dōnen “gezwollen zijn” en os. thona v. “rank”, ohd. dona v. “pees” (nhd. dohne “vogelstrik”), donên “zich spannen”. Germ. þun- representeert de schwundstufe van den idg. wortel ten- “spannen”; voor andere afll. hiervan zie bij deinen, deinzen en dun en vgl. verder o.a. ier. têt “snaar”, tan “tijd”, lat. tendo “ik span”, teneo “ik houd”, gr. teínō, titaínō “ik span, rek”, tanumai “ik strek mij uit”, tónos “spanning, toon”, čech. teneto, tonoto “jachtnet”, opr. per-tennīuns “verzuimd (oorspr.: overmatig gerekt) hebbend”, lit. tiñklas “net”, alb. ndɛ̂ń “ik span, strek uit”, oi. tanóti “hij rekt, spant”, tâna-”draad, toon”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

deun 2 bijv.(gespannen, krap), Mnl. deune, done + Mhd. dünic, met Hgd. dehnen, Mnl. denen = uitspannen, van denzelfden wortel als dun (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Deun, schriel, erg op de penning. Het woord beteekende vroeger ook strak, eng, nauw, dichtbij, al welke bet. voortkomen uit die van strak, gespannen. Dezelfde stam vindt men in ’t hgd. dehnen (uitstrekken), en Döhne (vogelstrik), lat. teneo (houden) en tendo (spannen). Voor den beteekenisovergang verg. misschien eng. near, dat zoowel nabij als schriel beteekent.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut