Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deserteur - (wegloper)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

deserteren ww. ‘weglopen (uit dienst)’
Vnnl. deserteeren ‘uit dienst weglopen’ [1676; WNT campagne]; nnl. deserteren ‘weglopen bij het legeronderdeel’ [1742; WNT regiment].
Ontleend aan Frans déserter ‘verwoesten’ [ca. 1080; Rey], ‘in de steek laten’ [eind 13e eeuw; Rey], ‘weglopen uit het leger’ [1680; Rey] < Laatlatijn desertare ‘verlaten, in de steek laten, verwoesten’ [begin 9e eeuw; Rey], een afleiding van het verl.deelw. dēsertum van Latijn dēserere ‘de band verbreken, in de steek laten, deserteren’, gevormd uit dē- ‘weg van’ (zie → de-) en het werkwoord serere ‘rijgen, aaneenschakelen’ (zie → serie).
deserteur zn. ‘wegloper (uit dienst)’. Vnnl. deserteurs (mv.) ‘id.’ [1688; WNT]. Ontleend aan Frans deserteur ‘hij die verlaat’ [ca. 1243; Rey], ‘wegloper uit het leger’ [ca. 1680; Rey], afleiding van het werkwoord déserter.

EWN: deserteren ww. 'weglopen (uit dienst)' (1676)
ANTEDATERING: Dat de Dorpen van Goejlandt gedeserteert ende verlaeten zijn geweest [1629; iWNT steken]
Later: dat de Militie … seer quam te deserteren (spelling niet zeker) [1672; Register 1, 262] (EWN: 1676)
EWN: ♦ deserteur zn. 'wegloper (uit dienst)' (1688)
ANTEDATERING: verlaters oft deserteurs vanden Crijch [1629; Tweeden placaet-bovck, 148]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deserteur [wegloper] {1688} < frans déserteur < latijn desertor [verlater, deserteur, afvallige], van deserere (verl. deelw. desertum) [verlaten, deserteren, op de loop gaan], van de [ont-] + serere [aaneenrijgen, laten aansluiten] (vgl. serie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

deserteur s.nw.
Droster (uit die leër), wegloper.
Uit Ndl. deserteur (1688).
Ndl. deserteur uit Fr. déserteur (13de eeu), met lg. van déserter uit Latyn desertor 'verlater, afvallige' van desertare, die frekwentatief van deserere 'verlaat, op loop gaan'.
D. Deserteur (17de eeu), Eng. deserter (17de eeu), It. disertore, Port. desertor, Sp. desertor.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

deserteur ‘wegloper’ -> Indonesisch désértir ‘wegloper’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

deserteur wegloper 1688 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut