Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

desem - (zuurdeeg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

desem zn. ‘zuurdeeg’
Mnl. deesem ‘zuurdeeg’ [1399; MNW-P], desem [1399; MNW-P], deysom [1400-50; MNW]; desem [ca. 1540; WNT].
De herkomst is onzeker. Hoewel het woord veel weg heeft van → deeg en in een aantal talen verwante woorden deze betekenis hebben gekregen, is het er niet direct mee verwant.
Mnd. desem ‘id.’; ohd. deismo ‘id.’; oe. þæsma ‘id.’; < pgm. *þaismian.
Misschien verwant met Oudkerkslavisch těsto ‘deeg’; Oudiers tāis ‘deeg’; Grieks staĩs ‘deeg’ < pie. *teh2-i- ‘kneden’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

desem* [zuurdeeg] {de(e)sem 1401-1450} middelnederduits desem, oudhoogduits deismo, oudengels ðæsma; buiten het germ. grieks stais [deeg], oudkerkslavisch těsto, litouws tyras [brij], oudiers táes [deeg].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

desem znw. m., mnl. dêsem, mnd. dēsem, ohd. deismo, oe. ðæsma m. ‘zuurdeeg, desem’ < germ. *þaismian, dat men vergelijkt met osl. těsto ‘deeg’, oiers tais ‘deeg’, die men als s-afl. van een idg. wt. *tei ‘kneden’ kan opvatten, vgl. lit. tyras, tỹrė ‘brij’, kymr. tail ‘mest’, gr. tĩlos ‘dunne stoelgang’ (Lidén, Armenische Studien 108-110 waarbij nog on. þíða ‘smelten’ IEW 1053).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

deesem znw., mnl. dêsem m. = ohd. deismo, mnd. dêsem, ags. ðæsma. “zuurdeeg, deesem”. Germ. *þaism(i)an- kan niet met deeg samenhangen wegens de þ, en ook bezwaarlijk met gedijen. De naaste verwanten zijn ksl. tĕsto “deeg”, ier. táis “id.”, gael. taois “deeg” en “deesem” en verder ohd. deisk (o.?) “mest”. De s van idg. *taxi-s- is formantisch. Hoogerop kunnen nog arm. ťrem “ik kneed”, lit. tyras, tỹrė “brij”, kymr. tail “mest”, gr. tĩlos “dunne stoelgang” e. a. woorden (Lidén, Armenische Studien 108—110) verwant zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

deesem m., Mnl. desem + Ohd. deismo, Ags. dœ’sma, met suff. -sem van denz. stam als ’t enk. imp. van dijen (z.d.w.); geen verband met deeg.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

desem* zuurdeeg 1401-1450 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut