Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

derven - (ontberen, missen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

derven ww. ‘ontberen, missen’
Mnl. daruen ‘derven, ontberen, missen’ [1236; CG I, 26], deerven ‘id.’ [14e eeuw; MNW], derven ‘id.’ [1400; MNW].
Ontstaan uit ouder darven, met palatalisatie van de -a- voor r + labiaal, zoals bij → nerf 1.
Os. tharbōn ‘missen’; ohd. darbēn (nhd. darben ‘gebrek lijden’); oe. þearfian; on. þarfa ‘nodig hebben’; got. þarban ‘zich onthouden’; < pgm. *þarbēn-, -ōn- ‘nodig hebben’. Wrsch. een afleiding bij het zn. pgm. *darbō- ‘gebrek’. Het woord is verder verwant met → durven, in de oorspr. betekenis ‘nodig hebben’.
De verdere herkomst is onzeker. Gedacht wordt aan verwantschap met Grieks térpein ‘verblijden’; Sanskrit trpyati ‘bevredigen’; bij pie. *terp- ‘zich verzadigen, genieten’ (IEW 1073-74). De betekenisontwikkeling zou dan zijn verlopen van ‘ergens bevrediging in vinden’ naar ‘iets nodig hebben’, maar een dergelijke ontwikkeling is vreemd.

EWN: derven ww. 'ontberen, missen' (1236)
ANTEDATERING: onl. thaz her thes houuedes tharuen solde 'dat hij zijn hoofd zou verliezen' [1151-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

derven* [missen] {de(e)rven, da(e)rven 1236} oudsaksisch tharƀon, oudhoogduits darben, oudengels ðearfian [missen], oudnoors þarfa [nodig hebben], gotisch gaþarban [zich onthouden]; vgl. oudpruisisch enterpo [het is nuttig] en nooddruft.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

derven ww., mnl. darven, derven ‘missen, derven’, os. tharƀon, ohd. darbēn (nhd. darben), oe. ðerfian ‘missen’, on. þarfa, þarfast ‘nodig nebben’, got. ga-þarban ‘zich onthouden’. — Hiernaast staat het part. praes. mnl. darf ‘ik heb nodig’, os. tharf, ohd. darf, ofri. thurf, thorf (ook thur, thor), oe. ðearf on. þarf, got. þarf. — Zie ook: durven.

Te vergelijken opr. enterpo ‘het is van nut’ (de Saussure MSL 7, 1892, 83): naast idg. wt. *terp ook *terb: osl. trĕbŭ ‘nodig’. — De verdere verbinding met woorden als oi. tṛpyati, tarpati ‘bevredigen, verzadigen’, gr. térpō ‘verzadigen, verblijden’, lit. tarpà ‘gedijen, wasdom’ (IEW 1077) hangt volkomen in de lucht; de betekenissen lopen te ver uiteen om hier een samenhang ook maar waarschijnlijk te maken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

derven ww., mnl. darven, derven “missen, derven”. Uit wgerm. þarƀên, -ôn (voor e uit a zie erg). = ohd. darbên (nhd. darben), os. tharƀon, ags. ðearfian “missen”, got. ga-þarban “zich onthouden”, on. þarfa(st) “noodig hebben” (onpers.). Van de germ. basis þerf-, þarf-, þurf-, -ƀ- komt o.a. ook ons znw. nooddruft en het praeteritopraesens got. on. þarf, ohd. darf (nhd. darf), os. tharf, ofri. thur(f), thor(f) (inf. thurva, thura, thora), ags. ðearf, ook mnl. ic darf “ik heb noodig” (vgl. durven). Verwant met obg. trěba “nut”, trěbovati “noodig hebben”. Gewoonlijk gaat men voor de germ. woorden van terp-, voor de slav. van terbh- uit, maar de germ. kunnen ook op dezen laatsten wortel teruggaan; f naast ƀ is dan opgekomen naar analogie van woorden, die klankwettigen gramm. wechsel hadden en ohd. durfan (infin.) heeft dan weer f naar darf en durfta. Minder wsch. wegens de bet. is de combinatie van germ. þerf-, -ƀ- met gr. térpō “ik verzadig, verblijd”, lit. tar̃pti “gedijen”, opr. enterpo “het baat”, oi. tṛ́pyati “hij wordt bevredigd, verzadigd”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

derven o.w., Mnl. id., Os. tharƀon + Ohd. darbên (Nhd. darben), Ags. đearfian, Go. þarban, van denz. stam als ’t enk. imp. van een st. werkw. *derven, waarvan ook durven (z.d.w.) en vergel. denken-dunken); geen verband met bederven noch verderven, misschien met Osl. trěbovati = noodig hebben, trěba = nut.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

derven* missen 1236 [CG I1, 26,27]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut