Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dertig - (30)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dertig telw. ‘30’
Mnl. dertich [1220-40; CG II, Aiol], daertich [1274; CG I,263], dartich [1294; CG I,2737, Brugge] en dortich [1290; CG I,1503, Holland].
Gevormd uit het telwoord → drie en een pgm. zn. *tegu- ‘tiental’ (zie → -tig), waarmee de tientallen van twintig tot zestig werden gevormd.
Os. thrītig (mnd. dertich); ohd. drīzug (nhd. dreißig); oe. þrītig (ne. thirty), ofri. thritich (nfri. tritich); on. (nominatief) þrír tigir (nzw. trettio); got. (nominatief) þreis tigjus; < pgm. *þrijiz tigiz (nominatief).
Voor de -t- heeft zich metathese van de -r- voorgedaan, gevolgd door overgang van -i- > -e- voor -r-+dentaal, zoals ook in → dertien.

EWN: dertig telw. '30' (1220-40)
ANTEDATERING: onl. ter theo 'dertig' [507-800; ONW]
Later: drizzich iar 'dertig jaar' [1151-1200; ONW] (EWN: 1220-40)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dertig* [hoofdtelwoord] {dertich 1220-1240} het eerste lid met metathesis van r gevormd van drie, het tweede betekent ‘tiental’ en is verwant met latijn decem, grieks deka [tien], vgl. gotisch þreis tigjus [drie tientallen, dertig].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dertig telw., mnl. dertich, dartich, dortich, mnd. dertich, metathesis-vormen vgl. oe. ðrīttig naast ne. thirty, met verkorte i uit oudere vorm als os. thrītig, ohd. drīzug, ofri. thrītich, oe. ðrītig, on. þrīr tigir, got. þreis tigjus. — Samenstelling van drie en een suffix -tig, dat ‘tiental’ betekent.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dertig telw., mnl. en dial. ook met a, o. = mnd. dertich, ags. ðrittig (eng. thirty), oudere vormen: ohd. drîȝug (nhd. dreissig), os. thrîtig, ofri. thrîtich, ags. ðrîtig, on. þrîr tigir, got. þreis tigjus. Voor ’t tweede lid zie -tig, het eerste is de m. vorm van drie.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dertig bijv., Mnl. dertich, Os. thrîtig + Ohd. drîzug (Nhd. dreiszig), Ags. đrítig (Eng. thirty), Ofri. thrítich, On. þrjátigi (Zw. trettio, De. tredive), Go. þreis tigjus: uit drie en tig; z. verder dertien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

daartig (telw.) dertig; Middelnederlands dertich <1220-1240>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dertig ‘telwoord’ -> Negerhollands dertig, derdig ‘telwoord’; Sranantongo dertig ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dertig* telwoord 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut