Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deren - (schaden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

deren ww. ‘schaden’
Onl. ni-dereda (pret.) ‘niet deerden’, gederen ‘schaden’ [1100; Will.]; mnl. daren ‘kwetsen, schaden’ [1201-25; CG II, Floyr], derende (teg.deelw.) ‘schadende’ [1240; Bern.].
Afleiding van pgm. *darō- ‘schade’, dat in het Middelnederlands als dare, dere ‘schade, pijn, letsel’ is overgeleverd, bijv. Hi dede hem herde clene dare ‘hij [de slang] bracht hem zeer weinig letsel toe’ [ca. 1350; MNW].
Os. derian ‘schaden’; ohd. teren ‘id.’ (mhd. deren, naast tarōn ‘id.’); oe. derian, ofri. dera; < pgm. *darjan- ‘schaden’, een afleiding van pgm. *daro- ‘schade’, waarvan ook ohd. tara en oe. daru ‘id.’.
Verwante vormen buiten het West-Germaans zijn niet met zekerheid aan te wijzen. Wrsch. gaat het gezien het vocalisme met -a- om een substraatwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deren* [schade doen] {1254} oudsaksisch derian, oudhoogduits teren, oudfries dera, oudengels derian; buiten het westgerm. zijn geen verwanten aan te wijzen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

deren ww., mnl. dēren ‘schaden, pijn, leed doen’, os. derian, ohd. teren, ofri. dera, oe. derian ‘schaden’, vgl. ook mnl. dāren, ohd. tarēn, tarōn ‘schaden’ en mnl. dāre v., ohd. tara, ae. dara v. ‘letsel, schade’.

Het woord schijnt geheel geïsoleerd in het westgerm. te staan en buiten-germ. corresponderende woorden zijn er evenmin. Verbinding met de wortels *dher ‘houden, steunen’ of ‘springen’ voert tot geen bevredigend resultaat. Misschien een substraatwoord?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

deren ww., mnl. dēren “schaden, pijn doen, leed doen”. = ohd. teren, os. derian, ofri. dera, ags. derian “schaden”, waarnaast mnl. dāren, ohd. tarôn, tarên “id.” en het znw. mnl. dāre v. (dēre, mnd. dēre v. is jonger), ohd. tara, ags. daru v. “letsel, schade”. Van een idg. wortel dhaxs- of dhaxr-. Formeel zouden wij dus aan verwantschap met gr. thor- “springen” (zie bij dartel) kunnen denken, maar ook idg. dher- “steunen, dragen” mogen vergelijken, waarbij o.a. lat. firmus “stevig”, gr. thrónos “zetel” (obg. sŭ-dravŭ “gezond”? beter anders verklaard), lit. dermė “verdrag”, oi. dhâráyati “hij ondersteunt, draagt” behooren, maar dergelijke combinaties zijn al te onzeker. Semasiologisch zou verwantschap met lat. ferio “ik sla” waarschijnlijker zijn, maar dit laat zich niet scheiden van de bij boren besproken woordfamilie. Eer zouden wij obg. dešą, desiti “vinden”, serv. dèsiti (ook met za-, na-, u-) “treffen” (o.a. in den zin “een ramp treft mij”, vgl. ù-des “ongeluk”) mogen vergelijken; deze woorden kunnen evenwel ook anders bevredigend verklaard worden. Is wellicht met deren ohd. tart, ags. daroð m., on. darr o. “speer, pijl” verwant? Dit woord is ook in ’t Rom. overgegaan en uit ofr. dart zijn weer meng. (eng.) dart en wellicht ook mnl. daert m. “speer” ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

deren o.w., Mnl. deren, daren, Os. derian + Ohd. teran (Mhd. tern), Ags. derian; daarbij Mnl. daren, Ohd. tarôn, Ags. daru (Eng. dare = kommer): verder verwantschap onzeker.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

deren* schade doen 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1692. Wat het oog niet ziet, het hart niet deert.

Deze gedachte vindt men in het middeleeuwsch Latijn uitgedrukt door de woorden non oculo nota res est a corde remota; quod non videt oculus cor non dolet. Bij ons komt ze voor bij Campen, 24: wat die ogen niet en sien, becommert dat herte niet; Goedthals, 14: datmen niet en weet, en deert niet; 24: dat d' ooge niet en siet, en begheert therte niet, ce qu'oeil ne voit, a coeur ne deut; De Brune, 386: Dat de ooghe niet en ziet, dat beroert het herte niet; Huygens, Korenbl. II, 188: Hij houdt het met het oude lied: dat een niet weet en schaedt hem niet; Tuinman I, nal. 9: 't Geen 't oog niet ziet, deert het herte niet; Harreb. I, 288 a; Afrik. wat die oog nie sien nie, deer die hart nie; Bebel, no. 394; Wander I, 176: was die Augen nicht sehen, kümmert (beschwert) das Herz nicht; was ich nicht weisz, macht mich nicht heisz; nd. wat de Ogen nicht seht, dat kränk 't Hart ôk nich; eng. what the eye sees not, the heart rues not.

2546. Wat niet weet, wat niet deert.

't Geen men niet weet, deert het herte niet, van iets geheel onbekends kan men geen smertelijke aandoening hebben’ (Tuinman I, 331). Vgl. De Brune, 386:

 Dat men niet en weet, of ziet,
 Dat en kan ons deeren niet.

W. Leevend VI, 6: Die niet weet, die niet deert; Martinet, 70: 't Geen men niet weet, deert het hart niet; Harreb. I, 288 a; II, 13 a: Wat men niet weet, doet ons geen leed; hd. was ich nicht weisz, macht mich nicht heisz (Wander V, 297 a; Eckart, 570); eng. what the eye does not see, the heart does not rue; fr. ce que j'ignore ne me fait pas mal. In het Land v. Aalst: niet en ziet, niet en deert; Land v. Waas: die niet en weet (of ziet), die en deert; te Antw.: niet en weet niet en let (Antw. Idiot. 2159). Zie no. 2503, noot 2.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut