Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

derde - (rangtelwoord]

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drie telw. ‘3’
Onl. thri- in diverse plaatsnamen, o.a. Trilant (ligging onbekend) [819-825; Künzel 351] en Drigemed (onbekende ligging op Walcheren, Zeeland), letterlijk ‘drie gemeten’ [1181-1210; Künzel 118], Trenscoten (onbekende ligging bij Lage Vuursche, Utrecht) [12e of 13e eeuw; Künzel 119]; mnl. dri (m.), drie (v.) (genitief drier, datief drien).
Os. thria/thria/thriu; ohd. drī/drīo/driu (nhd. drei); ofri. thrē/thriā/thriū (nfri. trije); oe. þrī/ðrio/ðreo (ne. three); Oernoords þrijōr, on. þrír/þrjár/þrjú (nzw. tre); got. *þreis/þrija; < pgm. *þri-/*þrio-/*þriu- ‘drie’, met telkens resp. de mannelijke, vrouwelijke en onzijdige vorm. Cognaten van het rangtelwoord derde zijn: os. thriddio; ohd. dritto (nhd. dritte); oe. þridda (ne. third); ofri. thredda (nfri. tredde); on. þriði (nzw. tredje); got. þridja; < pgm. *þridja- ‘derde’.
Buiten het Germaans zijn verwant: Latijn trēs; Grieks treĩs, tría; Sanskrit tráyas; Litouws trỹs; Oudkerkslavisch trije; Oudiers trí; Hittitisch teri; Tochaars A tre/tri, Tochaars B trey/trai/tri-; bij pie. *trei-es ‘drie’ (IEW 1090-92). Met het rangtelwoord zijn vergelijkbaar: Latijn tertius; Grieks trítos ‘derde’; Sanskrit trtíya ‘derde’; Avestisch þritiya-; Litouws trêci; Oudkerkslavisch treti; Oudiers triss; Albanees i-trets; Tochaars trice; < pie. *tri-to-, *tri-tio-.
In de Germaanse talen en tot in het Middelnederlands bestond er voor elk geslacht een aparte vorm, die in alle naamvallen werd verbogen, zoals ook de bovengenoemde datief tren in het Oudnederlands. Onder invloed van het aanwijzend voornaamwoord die werd drie de algemene vorm.
derde telw. ‘de plaats van drie innemend’. Mnl. derde [1220-40; CG II, Aiol], daarnaast ook: darde, dirde, dorde, dridde, drudde. Ontstaan door metathese van ouder drid(d)e, gezien de Indo-Europese cognaten al een oude afleiding van het telwoord pie. *trei- ‘drie’ (IEW 1090-92). Het Middelnederlands kende derde niet alleen als rangtelwoord maar ook gesubstantiveerd als zn. in de betekenis ‘derde deel’. In de Vroegnieuwnederlandse rechtstaal ontstond de betekenis ‘zijdelings betrokken persoon’, waaruit het huidige ‘buitenstaander’ voortkwam.
Lit.: Alan S. C. Ross & J. Bern (1992) ‘Germanic’, in: Jadranka Gvozdanovic (ed.) Indo-European Numerals (Trends in Linguistics. Studies and Monographs 57), Berlin-New York 1992, 575-79; Philippa 2000a, 41

EWN: drie telw. '3' (819-825)
ANTEDATERING: Theio tho sunde 'drie (keer acht) duizenden' [507-800; ONW]
EWN: ♦ derde telw. 'de plaats van drie innemend' (1220-40)
ANTEDATERING: Onl. therte 'derde' [507-768, kopie 751-768; ONW]
Later: thaz dridte teil 'het derde deel' [1151-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

derde* [rangtelwoord] {1200} met metathesis van r bij drie, vgl. oudhoogduits dritto, oudfries thredda, gotisch þridja; buiten het germ. latijn tertius, grieks tritos, litouws trečias, welsh trydydd; middelnl. heeft naast gebruikelijk derde ook nog wel driede.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

derde telw. naast dial. darde, dorde, mnl. derde, daerde, darde, metathesis vorm naast os. thriddio, ohd. dritto, ofri. thredda, oe. ðridda (north. ðirda, ne. third), on. þriði, got. þridja. — lat. tertius, av. þritya, kymr. trydydd, toch. trice < idg. *tritjo, afgeleid van *trei, tri (zie: drie).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] derde. Germ. *þriðja-n- kan ook idg. *tretjo- zijn: vgl. obg. tretĭjĭ, lit. trẽczas.

derde rangtelw., dial. ook darde, dorde, mnl. derde, darde, dorde met er, ar, or uit ri (vgl. vers, barsten). = ohd. dritto (nhd. dritte), os. thriddio, ofri. thredda, ags. ðridda, north. ðirda (eng. third), on. þriði, got. þridja, germ. *þriðjan-. Uit idg. *tritjo-, evenals kymr. trydydd, lat. tertius “derde”, gr. trissós “driedubbel” (: trítos “derde”), av. þritya- “derde”: afl. van *tri-, den idg. stam van ’t telw. drie. Andere formaties zijn ier. tres(s), tris(s) (ook van *tri-:*tri-sto-), aeol. tértos, obg. tretĭjĭ, lit. trẽczas, opr. tirts, oi. tṛtī́ya- “derde”, alb. i-trets, arm. erir, err-ord “id.”. De afl. van mnl. mnd. dorde uit onfr. os. *þruddio (idg. *tṛtjo-) is niettegenstaande den mnd. bijvorm drudde zeer onwsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

derde. Het vocalisme van het germ. woord kan ook op idg. e berusten; in dat geval sluit het zich nauwer aan bij de obg. lit. vormen voor ‘derde’ (v. Wijk Aanv.). Gr. trissós (waarsch. < *trikh-i̯os) moet vervallen. Uit idg. *tritjo- ook toch. trice ‘derde’ (Lidén Stud. z. toch. Sprachgesch. I, 5).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

derde bijv., Mnl. id., Os. thriddio + Ohd. dritto (Nhd. dritte), Ags. đridda (Eng. third), Ofri. thredda, On. þriđi (Zw. en De. tredje), Go. þridja + Skr. tṛtiyas, Gr. trítos, Lat. tertius, We.. trydydd, Osl. tretĭjĭ, Lit. trẽczas: met metath. en ě uit ĭ voor gedekte r, van den zw. stamgraad van drie met Idg. suff. *-ti̯o, Germ. *-dja.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

derde (vierde, vijfde enz.) voor de laatste, op twee (drie, vier, enz.) na de laatste. Tegenover de derde voor het laatste huis, waarin Carlo woonde, begon de rij privaten (Dobru 1968b: 8). - Zie ook: een* voor de laatste.
— : zie derde been*.
— : derde vinger, (weinig gebr.) middelvinger. - Syn. langste* vinger.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

derde ‘rangtelwoord’ -> Negerhollands (die) derde, driede ‘rangtelwoord’; Sranantongo derde ‘rangtelwoord’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1468. De derde man brengt de spraak a(a)n.

Dat deze meening reeds in de 17de eeuw bestond blijkt uit Van Moerk. 223: De derde Man seytme die ken de meeste praet make; Klucht v.d. Schoester, 6: Zoo brengt de darde man de praat aan tot vermaakZie Ndl. Wdb. III, 2422.; zie verder W. Leevend II, 74: De derde man brengt de praat of de stilte an; Tuinman I, 7: De derde man brengt de praat aan. Zie Harreb. II, 54 a; fri. de trêdde man bringt de praet oan; Dirksen I, 20: de darde man brengd geselskup an, wenn drei Personen bei einander sind, kommt die Unterhaltung erst recht in Flusz. Het znw. man heeft in deze uitdr. nog de oudste beteekenis van mensch bewaard, evenals in de gemeene man, op den man af, als de nood aan den man komt, aan den man brengen, enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut