Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

den - (dorsvloer, bergvloer)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

den 2 zn. m. ‘bergzolder; dorsvloer, erf, hofplaats’.
Oudste attestatie van een voorvorm van den is danea ‘dorsvloer’ in de Reichenauer Glossen (ca. 750, kopie eind 8e e.). Denne komt vanaf de zestiende eeuw voor als ‘vloer’, ‘scheepsdek’, ‘scheepsruim’, ‘bergplaats’ en ‘dorsvloer’. In moderne dialecten bestaat den ‘dorsvloer’ vooral in Limburg en in het zuiden van Brabant; in Zeeland en Vlaanderen slaat den, dein op een ‘dorsplein’ of ´dorskleed´ in de open lucht (TNZN kaart 8.10; zie ook van Bakel 1997).
Verwante vormen zijn Mnd. denne v. ‘bosdal, leger van dieren, laagte’, Ohd. tenni o. ‘dorsvloer’, Oe. denn o. ‘leger van dieren’, MoE den ‘hol, schuilplaats van wild’, en het Ofri. adjectief dend ‘van een dek voorzien’. Deze vormen wijzen op Westgermaans *danja-. Het Oe. denu v. ‘dal’ en Vnnl. dene ‘staak, plank, bord’ (volgens Kiliaan “sax. sicamb.”) zouden op de nominatief *dani daarvan kunnen teruggaan, die geheranalyseerd werd als ō-stam.
Een nauw verwante vorm, maar zonder i-umlaut, is Mnl. dan m. ‘leger (van dieren), wouddal’ (vanaf 1287, West-Vlaanderen), Ofri. dan (-nn-) ‘hondeleger’, Ohd. Mhd. tan(n), Nhd. Tann m. ‘bos’, Mnd. dan ‘bos’ < WGm. *dana-.
Deze woorden worden meestal verklaard vanuit een PIE wortel *dhen- ‘handpalm; grond; platte plank’ waaruit Ohd. tenar m., tenra v. ‘handpalm’ kunnen voortkomen. De betekenis ‘dorsvloer’ zou dan primair zijn (nl. als ‘plat stuk grond’), en daaruit zouden ‘planken vloer’, ‘leger’ en ‘bergzolder’ zijn ontstaan (Kroes, TNTL 42, 1923, 20-24; de Vries, NEW). In het voordeel van die verklaring is spreekt de betekenis van de vroege vormen danea en Ohd. tenni ‘dorsvloer’; maar een tegenargument is dat Oe. denn nooit ‘dorsvloer’ betekent, evenmin als de reflexen van Wgm. *dani en *dana-.
Het volgende scenario lijkt me daarom waarschijnlijker. De vroegst reconstrueerbare betekenis van *dana- en *danja- is ‘dal’ (Oe. denu), specifiek ‘laagte’ of ‘schuilplaats’ in een bos. Vandaaruit leidde betekenisverbreding tot Hoogduits ‘bos’, maar betekenisspecialisatie tot ‘leger van dieren’. Als metafoor werd ‘leger’, wegens de uiterlijke overeenkomsten (de platgetrapte bodem), vervolgens toegepast op een ‘dorsvloer’.
Over een Indo-Europese etymologie voor *dan(j)a- ‘dal’ valt slechts te speculeren. Formeel zou het woord op PIE *dhon-(i)o- kunnen teruggaan. De betekenis ‘dal’ is te verbinden met Sanskrit dhánuṣ-, dhánvan- o. ‘boog’ < PIE *dhen-ur, *dhen-un-, waarvan misschien ook Lat. femur, feminis ‘dijbeen’ afstamt. De oorspronkelijke betekenis van *dhon-(i)o- zou dan ‘gebogen’, ‘boogvormig’ of iets dergelijks kunnen zijn.
[Gepubliceerd op 10-07-2014 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

den2* [dorsvloer, bergvloer] {denne [scheepsdek] 1413; de betekenis ‘dorsvloer’ 1624; de betekenis ‘bergvloer’ 1651} middelnederduits denne [laagland, wouddal], oudhoogduits tenni [dorsvloer], middelhoogduits tan [woud, wouddal], oudfries dene [terrein], oudengels denu [vallei], denn [leger van wilde dieren] (engels den).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

den 2 znw. m. (gewestelijk) ‘hol van roofdier; ruim van een schip; bergzolder’, mnl. dan m. o. ‘bosdal; leger van dieren’, ohd. tan ‘bos’ (alleen in tan-esil ‘onager’), mnd. dan ‘bos’. Daarnaast staat mnd. dene ‘kuil, laagte’, ofri. dene ‘omlaag’, oe. denu ‘dal’ en mnd. denne ‘bosdal, leger van dieren’, oe. denn o. ‘leger van dieren’ (ne. den ‘hol, schuilplaats van wild’). Noordgerm. niet bekend, misschien in de volksnaam der Denen, on. Danir ‘dalbewoners’ (Wadstein GHÅ 24, 1918, Nr. 4 en 25, 1919 Nr. 2), voor andere verklaringen zie echter AEW 73. — oi. dhanuṣ- o. dhanvan m. ‘droog land, woestijn’, gr. thénar ‘handpalm, voetzool’ (vgl. ohd. tenar m., tenra v. ‘handpalm’), van een idg. wt. *dhen ‘handpalm; grond; platte plank’ (IEW 249).

Gewestelijk betekent den ook ‘dorsvloer’ evenals nhd. tenne v. Volgens H. W. J. Kroes Ts. 42, 1923, 20-24 zou men moeten denken aan het oude gebruik op de akker een dorskleed uit te spreiden, om daarop te dorsen, waardoor het land na afloop geheel platgetrapt was en er als het leger van een haas uitzag. Eerder zal men aan een omgekeerde ontw. moeten denken: er werd gedorst op een platgetrapte leemgrond (later op een planken vloer) en daarnaar werden ook andere plaatsen (zoals het leger van een dier) waar de grond platgetrapt was benoemd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

denne v. (hol, kuil, ruim, bergzolder), + Hgd. tenne, Ags. denn (Eng. den) = kuil, een afl. van dan, besproken bij den.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

den 1, din, zn.: dorsvloer; bergzolder, bergvloer boven de dorsvloer. Ook Vlaams en Brabants. Mnl. denne ‘scheepsdek, vloer’, Vnnl. denne van den schepe ‘la couverture d’une nef (scheepsdek)’ (Lambrecht), denne ‘dorsvloer, verdieping’ (Kiliaan). Zwitsers D. Tenn(e) ‘dorsvloer’ < Ohd. tenni, Mhd. tenne ‘dorsvloer’, Mnd. denne ‘verdieping van de bodem, dierenhol’, Oe. denn, E. den ‘hol, schuilplaats’. Verwant met Mnl. dan ‘wouddal; schuilhoek, dierenhol’, Ohd., Mhd. tan ‘dennenbos’, D. Tann ‘naaldbos’. Vgl. Ohd. tenar ‘vlakke hand’, Mhd. tener ‘id.’, Oind. dhánuh ‘zandbank, eiland’, dhánûh ‘hoge oever’, Gr. thénar ‘handpalm, voetzool’ < Idg. *dhen- ‘handpalm, vlakke bodem, vlakke plank’. Kroes ziet de betekenisevolutie als volgt: dorsplek, dorsvloer > vaste bodem > plankenvloer > ruim > bergzolder. – Bibl.: H.W.J. Kroes, Ndl. den. Nhd Tenne. TNTL 42 (1923), 20-24.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

den, zn.: dorsvloer; scheepsplank. Ook Vlaams. Mnl. denne ‘scheepsdek, vloer’, Vnnl. denne van den schepe ‘la couverture d’une nef (scheepsdek)’ (Lambrecht), denne ‘dorsvloer, verdieping’ (Kiliaan). Zwitsers D. Tenn(e) ‘dorsvloer’ < Ohd. tenni, Mhd. tenne ‘dorsvloer’, Mnd. denne ‘verdieping van de bodem, dierenhol’, Oe. denn, E. den ‘hol, schuilplaats’. Verwant met Mnl. dan ‘wouddal; schuilhoek, dierenhol’, Ohd., Mhd. tan ‘dennenbos’, D. Tann ‘naaldbos’. Vgl. Ohd. tenar ‘vlakke hand’, Mhd. tener ‘id.’, Oind. dhánuh ‘zandbank, eiland’, dhánûh ‘hoge oever’, Gr. thénar ‘handpalm, voetzool’ < Idg. *dhen- ‘handpalm, vlakke bodem, vlakke plank’. Kroes ziet de betekenisevolutie als volgt: dorsplek, dorsvloer > vaste bodem > plankenvloer > ruim > bergzolder. – Bibl.: H.W.J. Kroes, Ndl. den. Nhd Tenne. TNTL 42 (1923), 20-24.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

dein, den, demp zn. m.: dorsvloer, m.n. op het veld, zaadvloer (kleed waarop koolzaad gedorst wordt). Den betekent ook ‘opstaande rand van het gangboord van een schip’. Samenst. Ovl. deinekleed, dennekleed ‘kleed dat op de akker opengespreid wordt om erop te dorsen’; verdennen (Axel, Hulst) ‘verhuizen, nl. dorsers die van de ene den naar de andere dorsplaats trekken’. Mnl. denne ‘scheepsdek, vloer’, Vnnl. denne van den schepe ‘la couverture d’une nef (scheepsdek)’ (Lambrecht), denne ‘dorsvloer, verdieping’ (Kiliaan). Zwitsers D. Tenn(e) ‘dorsvloer’ < Ohd. tenni, Mhd. tenne ‘dorsvloer’, Mnd. denne ‘verdieping van de bodem, dierenhol’, Oe. denn, E. den ‘hol, schuilplaats’. Verwant met Mnl. dan ‘wouddal; schuilhoek, dierenhol’, Ohd., Mhd. tan ‘dennenbos’, D. Tann ‘naaldbos’. Vgl. Ohd. tenar ‘vlakke hand’, Mhd. tener ‘id.’, Oind. dhánuh ‘zandbank, eiland’, dhánûh ‘hoge oever’, Gr. thénar ‘handpalm, voetzool’ < Idg. *dhen- ‘handpalm, vlakke bodem, vlakke plank’. Samenst. zaaddempe ‘plaats op het koolzaadveld waar gedorst wordt, dorszeil’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

dein(e) (G, L, W, ZO, ZV), den (W), demp (ZV), zn. m.: dorsvloer, m.n. op het veld; droogveld voor pas gebakken stenen. Samenst. deinekleed, dennekleed (ZO) 'kleed dat op de akker opengespreid wordt om erop te dorsen'; verdennen (A, H) 'verhuizen, nl. dorsers die van de ene den naar de andere dorsplaats trekken'. Mnl. denne 'scheepsdek, vloer', Vnnl. denne van den schepe 'la couverture d'une nef (scheepsdek)' (Lambrecht), denne 'dorsvloer, verdieping' (Kiliaan). Zwitsers D. Tenn(e) 'dorsvloer' < Ohd. tenni, Mhd. tenne 'dorsvloer', Mnd. denne 'verdieping van de bodem, dierenhol', Oe. denn, E. den 'hol, schuilplaats'. Verwant met Mnl. dan 'wouddal; schuilhoek, dierenhol', Ohd., Mhd. tan 'dennenbos', D. Tann 'naaldbos'. Vgl. Ohd. tenar 'vlakke hand', Mhd. tener 'id.', Oind. dhánuh 'zandbank, eiland', dhánûh 'hoge oever', Gr. thénar 'handpalm, voetzool' < Idg. *dhen- 'handpalm, vlakke bodem, vlakke plank'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

den I, din dorsvloer (Peelland, Limburg). = hgd tenne. = oeng. (ō-)den ‘dorsvloer’ ~ gr. thénar ‘vlakte’, ~ oind. dhanu- ‘zandbank, strand’.
Kluge 776, Weijnen 1937, 157, Roukens 112, WBD 130, De Bont 1958, 130.

den III, dein, dent, dem effen gemaakte plaats op het veld waar men dorst of vlas reept, dorskleed (Vlaanderen, Oost-Zeeuws-Vlaanderen). = den ↑ ‘dorsvloer’.
Teirlinck 1254, Ghijsen 161.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

den, dem, dent (DB), zn. m.: dorsvloer (op de akker). Ook D. Tenne ‘dorsvloer’, Zwitsers tenn < Ohd. tenni, Mhd. tenne, Mnd. denne. Mnl. dan ‘wouddal, schuilhoek, leger (van dieren)’, denne ‘vloer, scheepsdek’, Vroegnnl. denne ‘area, pavimentum, tabulatum’ (Kiliaan), Ndl. den ‘bergzolder, bergvloer’. Mnd. dan, Ohd., Mhd. tan, D. Tann ‘bos’, Mnd. dene ‘kuil, laagte’, Mnd. denne ‘bosdal, leger van dieren’, Oe. denu ‘dal’, Oe. denn ‘leger van dieren’. Vgl. Waals daigne, dègne, Luiker W. din ‘dorsvloer’ < Frankisch *dannia, Zuid-Frankisch danea. Idg. *dhen ‘handpalm, grond, platte plank’. Lit.: Van Bakel1997. – H.W.J. Kroes, Ndl. den - Nhd. Tenne. TNTL 42 (1923), 20-24.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal