Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

demagoog - (volksmenner)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

demagogie zn. ‘volksmennerij’
Nnl. demagogie ‘id.’ [1838; WNT Aanv.].
Internationaal woord dat uiteindelijk teruggaat op Grieks dēmagōgíā ‘het leiden van het volk’. Het gaat om een afleiding van het zn. dēmagōgós ‘volksleider’, dat is samengesteld uit Grieks dẽmos ‘volk’ en agōgós ‘leider’.
Het woord kreeg de negatieve betekenis ‘volksmenner’ in Athene tijdens de Peloponnesische oorlog (431-404 voor Chr.) en werd gebruikt voor de leiders van de volkspartij. Deze werden zo heftig aangevallen dat de negatieve betekenis van het woord de overhand kreeg. Dat geldt ook voor de latere ontleningen in de moderne talen, zoals Frans démagogue [1688; Rey] (maar ook al eenmalig Oudfrans demagoge [1361]), démagogie [1791; Rey] en Engels demagogue [1648], demagogy [1655]. Met name in de 19e eeuw raakte het woord bekend, bijv. door de zogenaamde ‘Demagogenverfolgungen’, de jacht op democratisch gezinden tijdens de Restauratie in Duitsland (1815-1830), toen men probeerde de verworvenheden van de Franse Revolutie terug te draaien. Zij werden beschuldigd van samenzwering en misleiding van het volk.
demagoog zn. ‘volksmenner’ [1769; WNT Aanv.]. ♦ demagogisch ‘oproerstokend’ [1872; Dale].

EWN: demagogie zn. 'volksmennerij' (1838)
ANTEDATERING: Ik zweere … der demagogie eenen eeuwigen haat [1792; Cloots, 61]
EWN: ♦ demagoog zn. 'volksmenner' (1769*)
ANTEDATERING: vnnl. soo veel "Demagogen" [1675; Hobbes, 232]
{* De datering van het EWN moet gewijzigd worden in: [1796; WNT Aanv.].}
EWN: ♦ demagogisch 'oproerstokend' (1872)
ANTEDATERING: slaafsch demagogisch gevlei [1787; Rechtuit, *3v]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

demagoog [volksmenner] {1824} < frans démagogue < grieks dèmagōgos [volksleider, volksmenner], van dèmos [volk] + agōgos [gids, leider] (vgl. agoog).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

demagoog s.nw.
Volksopruier of -opsweper, veral deur retoriek en uitbuiting van maatskaplike onrus.
Uit Ndl. demagoog (1769).
Ndl. demagoog uit Fr. démagogue uit Grieks demagogos 'volksleier', met lg. gevorm van demos 'volk' en agogos 'gids, leier'.
D. Demagoge (19de eeu), Eng. demagogue (1648), It. demagogo, Port. demagogo, Sp. demagogo.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

demagoog (Frans démagogue)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

demagoog ‘volksmenner’ -> Indonesisch démagog ‘volksmenner’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

demagoog volksmenner 1796 [Aanv WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut