Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

delven - (graven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

delven ww. ‘graven’
Mnl. delven ‘graven’: te deluene ‘te delven’ [1260; CG I, 71]. Reeds eerder in het zn. delf(t) ‘gegraven water’: Asmedelf ‘Assendelft’ [1000-50; Künzel 83].
Os. (bi)delban ‘begraven’; ohd. (bi)telban ‘begraven’; ofri. delva (nfri. dolle); oe. delfan ‘graven’ (ne. delve); < pgm. *delban- ‘graven’. Kiliaan kent ook nog een woord dolven ‘graven’.
Verwanten komen verder alleen voor in de Balto-Slavische talen: Litouws délba, dálba ‘breekijzer’, delbti ‘de ogen neerslaan’; Oudpruisisch dalptan ‘werktuig’; Servo-Kroatisch dúbiti ‘uithollen’, Russisch dolbit' ‘beitelen, uithollen’, doloto ‘beitel’. Ze zouden moeten teruggaan op een wortel pie. *dhelbh- ‘graven’ (IEW 246). De beperkte verbreiding van de wortel geeft echter te denken. Het zou een substraatwoord kunnen zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

delven* [graven] {1260} oudsaksisch bidelƀan, oudhoogduits bitelban, oudfries delva, oudengels delfan [begraven, resp. graven]; buiten het germ. en enkele verwanten in het balto-slavisch is het woord nergens in het i.-e. terug te vinden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

delven ww., mnl. delven ‘graven, begraven’, os. bidelƀan ‘begraven’, ohd. bitelban ‘begraven’, ofri. delva, dela, oe. delfan ‘graven’. — idg. wt. *dhelbh (IEW 246): lit. delba, dalba ‘breekijzer’, osl. dúbēm ‘uithollen’, dùbok ‘diep’, vgl. nog. opr. dalptan ‘toestel om gaten mee te slaan’. — Opmerkelijk is weer de beperking van deze woordgroep tot het Germaans en Balto-slavisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

delven ww., mnl. delven “graven, begraven”, waarbij delve v. “gracht, sloot” (dial. nog delf) en delft, nog in den plaatsnaam Delft. Dergl. znww. ook in andere wgerm. talen. = ohd. bi-tëlban, os. bi-dëlƀan “begraven”, ofri. dëlva, dëla, ags. dëlfan “graven” (eng. to delve). Van den idg. wortel *dhelbh- “graven”, waarop ook teruggaan serv. dúbêm (oerslav. *dĭlbą) “ik hol uit”, ksl. dlato “beitel”, opr. dalptan “een smidswerktuig om gaten te slaan”, lit. nu-ditbstù “ik sla de oogen neer”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dal. In pl. v. ofri. *dal lees: ofri. del (o?). Schrijnen Neophil. 2, 241 vlgg. meent op cultuurhistorische gronden, dat gr. thólos afkomstig is uit de taal der vóórgriekse bewoners van Griekenland, en dus niet idg. Of de groep van delven in laatste instantie met die van dal verwant is, zoals F. A. Wood Postconsonantal w 56 vlg. wil, blijft onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

delven o.w., Mnl. id., Os. delƀan + Ohd. telban (Mhd. telben), Ags. delfan (Eng. to delve), Ofri. delva + Lett. dalba = stang, Ru. dolbiť = beitelen, z. kalf 1. Idg. wrt. dhelbh = graven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dolf: – dolwe – , in ’n mate doeb. v. delf/delwe, “na delfstowwe grawe” en fig. (vroeër lett.) “die onderspit delf/delwe”; dolf/dolwe daarenteë gew. i.v.m. tuin- en wingerdbou; Ndl. delven (reeds Mnl.), “grawe”, Eng. delve het alleen verw. in Germ. en Balt.-Sl.; dit is enigsins bevreemdend dat in Ndl. etim. wdb. vermelding ontbreek v. dolven as inf. by Kil en by Mey L W, 8ste dr., 567.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Delven van den Idg. wt. dhelbh = graven. (Vgl. ’t Gr. delphax = varken, d.i. het gravende dier.) Een delf of delft is dus een gegraven water, evenals gracht van graven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

delven ‘graven’ -> Duits dialect delven ‘graven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

delven* graven 1260 [CG I1, 71,72]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1673. Het onderspit delven,

d.w.z. overwonnen worden, het slechtst van eene zaak afkomen, er het ongunstigst aan toe zijn, aan het kortste eind trekken. Bij het graven of delven van een sloot of een gracht staat de eene arbeider boven, de andere met groote laarzen in de modder of in het water en delft het onderspit, d.i. de onderste laag. In Zuid-Afrika spreekt men nog van onderspit (dat zijn de onderste zodenOok in Zuid-Nederland is deze naam naast ondersteek, bekend (Antw. Idiot. 1928).) bij het aanleggen van wijngaarden en boomgaarden. Het ww. delven is dan alleen gebruikelijk bij dit diep losmaken van den grond. De arbeider die dit ‘onderspit’ delft, heeft het zwaarste werk, is er het slechtst aan toe, (toegepast op een strijd) verliest het. Vgl. Boekenoogen, 979: Spit - dat wat uit den grond gespit wordt, een klomp modder, klei, gras, riet enz. die met de spade wordt afgestoken, dus hetzelfde als het oostfri. spit of stêk, soviel Erde, wie man auf einmal mit dem Spaten aussticht, hê lett dat land twê spit (stêk) dêp grafen (Ten Doornk. Koolm. III, 279 en 306). De uitdr. komt in de middeleeuwen voor naast dat onderspit gravenMnl. Wdb. V, 420.. Zie ook Sartorius I, 2, 11: Marte sinistro pugnavimus, wy hebben 't onderspit gedolven; Winschooten, 278: Spit is een opdelving dat met een spaa geschied, waar van het onderspit delven: oover een komende in beteekenis, met in het onderspit leggen; Harreb. II, 134; Villiers, 89; zie Ndl. Wdb. X, 1466-1467; Maerlant's Stroph. Ged.2 152-153; Taal en Letteren X, 533 en voor de hier gegeven verklaring N. Taalgids XIII, 43; Tijdschrift XXXIX, 150. Vlg. fr. avoir le dessous dans un combat. (Aanv.) l. Stroph. Ged.3

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dhelbh- ‘graben, aushöhlen; herausschlagen; Stock, Stange (ursprüngl. als Werkzeug zum Graben); Röhrenknochen (gehöhlt? oder als Grabwerkzeug benannt?)’, Nur german. und baltoslav.

Ahd. bi-telban, -telpan (Partiz. bitolban) ‘begraben’, as. bi-delƀan ds., mndd. ndl. delven, ags. delfan ‘graben, begraben’, fläm. delv ‘Schlucht, Graben’; dazu schweiz. tülpen ‘schlagen, prügeln’, tirol. dalfer ‘Ohrfeige, Schlag’, ndd. dölben ‘schlagen’;
bsl. *dilbō ‘grabe ein, höhle aus’: in lit. délba und dálba f. ‘Brechstange’, lett. dil̃ba f., dilbis m. ‘Röhrenknochen, Schienbein’, delbs ‘Oberarm, Ellenbogen’, dalbs m., dalba f. ‘Fischerstange, Heugabel’; vielleicht lit. nu-dil̃binti ‘die Augen niederschlagen’;
slav. *dьlbǫ, *delti in skr. dúbēm, dúpsti ‘aushöhlen’, dùbok ‘tief, usw. (ablaut. *delti in skr. dial. dlisti ‘meißeln’, vgl. dlijèto ‘Meißel’); čech. dlubu, dlubati ‘höhlen, stochern’, ablaut. *dolb- in čech. dlabati ‘meißeln’, dlab ‘Fuge’ (= lett. dal̃bs), aruss. nadolobъ m., nadolba f. ‘Stadtumzäunung’; *dolb-to- ‘Meißel, spitzes Eisen’ in apr. dalptan ‘Durchschlag’, slav. *dolto ‘Meißel’ in bulg. dlató, russ.-ksl. dlato, russ. dołotó ds.

WP. I 866 f., Trautmann 54, Mühlenbach-Endzelin I 434.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal