Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

delta - (trechtervormige riviermonding)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2018

Onze delta

De vierde letter van het Griekse alfabet, de delta, heeft als hoofdletter de vorm van een driehoek: Δ. De overeenkomst met die meetkundige figuur is de basis geweest voor samenstellingen als deltaspier (‘schouderspier’), deltavleugel (‘driehoekige vliegtuigvleugel) en deltavlieger (‘groot driehoekig zweeftoestel).
Ook het woord rivierdelta heeft te maken met een driehoek. In de klassieke oudheid was de rivierdelta bij uitstek die van de Nijl, die zich zó vertakte dat het mondingsgebied de vorm van een driehoek aannam. De Griekse historicus Herodotus, die in de vierde eeuw v.Chr. leefde, gaf de mond van de Nijl, met zijn vertakkingen, al de bijnaam de Delta. Aan het eind van de achttiende eeuw gingen Engelsen het woord delta in het algemeen gebruiken voor ‘mondingsgebied van een rivier’, en dat werd internationaal overgenomen – ook in Nederland, dat voor een groot gedeelte bestaat uit het deltagebied van de Rijn, de Maas en de Schelde.

Deltaplan
Op 1 februari 1953 teisterde de Watersnoodramp ons land. Nog diezelfde maand werd de ‘Deltacommissie’ ingesteld, bestaande uit deskundigen die moesten adviseren welke maatregelen nodig waren om een herhaling van die ramp te voorkomen. Op advies van deze commissie kwam er een ‘Deltawet’ tot stand, werden de zeeweringen opgehoogd tot ‘deltahoogte’ en werd er een begin gemaakt met de aanleg van de ‘Deltawerken’.
Het woord deltaplan is verrassenderwijs van eerdere datum. Al op 7 januari 1948 stond in de krant Het Vrije Volk een artikel waarin werd voorspeld dat in de tweede helft van de twintigste eeuw het beveiligen van het deltagebied de belangrijkste taak zou moeten worden voor Rijkswaterstaat: “Het staat thans wel vast, dat, zoals in de achter ons liggende jaren de Zuiderzeewerken in het centrum hebben gestaan van onze openbare-werken-politiek, in het verbeteren van de toestand van de beneden-rivieren het grote werk moet worden gezocht voor de tweede helft van deze eeuw. Weliswaar zal het Delta-plan – naam, waaronder we alle in het mondingsgebied van Rijn en Maas overwogen maatregelen zouden willen vangen — waarschijnlijk minder omvangrijk zijn dan de Zuiderzeewerken, maar het is stellig een waterstaatkundig werk van de allereerste orde.” Dit krantenartikel is de oudste vindplaats van het woord deltaplan. De samenstelling was een bedenksel van de redactie van Het Vrije Volk, die het woord op 14 september 1948 toelichtte als “een door ons bedachte naam voor een zeer groot waterstaatkundig werkobject voor de toekomst”. De nieuwe woordcreatie trok onmiddellijk de aandacht en vormde een week later zelfs aanleiding voor een vraag in de Tweede Kamer: “In dat artikel wordt een grootscheeps plan aangekondigd voor de inpoldering van onze riviermonden, dat er zeer aanlokkelijk uitziet, maar waarvan in deze Kamer nog niets bekend is.” (Handelingen Tweede Kamer, 14 januari 1948).
Deltaplan is dus enkele jaren ouder dan samenstellingen als Deltacommissie en Deltawet. Vermoedelijk heeft de woordvondst van Het Vrije Volk model gestaan voor deze latere nieuwvormingen. Verwees deltaplan aanvankelijk alleen naar het bouwen van dijken en stuwen ter bescherming tegen het zeewater, sinds de jaren negentig van de vorige eeuw wordt het ook gebruikt in een bredere en overdrachtelijke betekenis: ‘ambitieus project, grootschalige aanpak van nationale of zelfs internationale reikwijdte’. Zo is in 1991 een ‘Deltaplan voor Cultuurbehoud’ in werking getreden, dat niets te maken heeft met dijken en dammen, maar alles met een grootscheeps programma tot redding van de cultuur. Zo kennen we tegenwoordig ook een ‘Deltaplan voor het Landschap’ en een ‘Deltaplan Ouderenzorg’.

Gezellige moerasdelta
De Italiaan Edmondo d’Amicis, die in 1873 en 1874 ons land bezocht, verbaasde zich in zijn reisbeschrijving Olanda over het waterrijke landschap: “Op de eerste aanblik zou men niet kunnen zeggen of het land of het water de bovenhand heeft, of Nederland tot het vasteland of tot de zee behoort. (...) Men zou menen dat het slechts door bevers of zeehonden bewoond zou kunnen worden.” De historicus Johan Huizinga noemde Nederland in 1941 “het kleine waterlandje”. Eerder, rond 1850, was het begrip kikkerland opgekomen ter karakterisering van ons land en onze landsaard. “Waar vindt men stijver koppen en onbuigzamer gemoederen dan in dit verwenschte kikkerland!”, legt de schrijver Jan Jacob Cremer in 1851 in een historische roman een zestiende-eeuwse Spanjaard in de mond. Spraakmakend was in 1963 Gerard Reves karakterisering van ons land als “een gezellige moerasdelta”.
Aldus wekt het geen verbazing dat een beknopte geschiedenis van Nederland uit de jaren negentig eenvoudigweg de titel Delta draagt. De benaming van de vierde letter van het Griekse alfabet heeft zich ontwikkeld tot een sleutelwoord van de Nederlandse identiteit.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2015), ‘Onze delta’, in: Onze Taal 1, 27]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

delta zn. ‘trechtervormige riviermonding’
Vnnl. Delta ‘Nijldelta’ [1612; WNT naderen]; nnl. Delta ‘een eiland in Egypte het welk de gedaante van eene Griekse delta heeft’ [1832; Weiland], delta ‘riviermonding bestaande uit meerdere armen’ [1857; WNT].
Ontleend aan Latijn delta, naar gelijkenis met de Griekse hoofdletter d(elta).
Een internationalisme van antieke oorsprong; reeds gebruikt door Herodotos. Plinius vermeldt dat ‘velen Egypte noemen naar de naam van de Griekse letter ’delta‘'. De vruchtbare monding van de Nijl was wel de delta bij uitstek. Nederland bestaat ook uit een aantal grote delta's, maar toch is de moderne betekenis van het woord in de 18e eeuw in Engeland ontstaan [1790; OED]. Betekenisontlening kan dus ook via het Engels zijn gegaan.
deltaplan zn. ’ambitieus project, grootschalige aanpak van nationale of zelfs internationale reikwijdte‘. Nnl. eerst alleen als naam Deltaplan [1955; WNT Aanv. delta] voor het grote project waarbij na de watersnoodramp van 1953 tientallen jaren lang dijken en stuwen werden gebouwd die een betere bescherming moesten bieden tegen het zeewater; overdrachtelijk gebruik Deltaplan Cultuurbehoud ’groot project tot redding van de cultuur‘ [1991; Reinsma 1999], naar de omvang en de aard van het project. ♦ deltavliegen ww., zn. ’zweefvliegen hangend aan deltavormige vleugel‘. Nnl. deltavliegen ’id.‘ [1984; WNT]. Gevormd uit delta ’(vorm van de) Griekse letter' en → vliegen.

EWN: delta zn. 'trechtervormige riviermonding' (1612)
ANTEDATERING: een heyland ('eiland'), ghenaemt Delta, zo gheheeten omme dat ghenouch es de figuere van eender Griecscher d, diemen delta naemt (betreft de Nijldelta) [ca. 1500; Zeebout 1998, 209]
EWN: ♦ deltaplan zn. 'ambitieus project, grootschalige aanpak van nationale of zelfs internationale reikwijdte' (1955)
ANTEDATERING: het "Deltaplan" (i.v.m. watersnood) [1953; Het vrije volk (KB) 21/2]
Later: onderwijs-delta-plan [1954; Handelingen Eerste Kamer (SGD) 12/10, 2023] (EWN: 1991)
EWN: ♦ deltavliegen ww., zn. 'zweefvliegen hangend aan deltavormige vleugel' (1984)
ANTEDATERING: Europees kampioen Delta-vliegen [1975; NRC 10/1]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

delta [land omsloten door rivierarmen] {1832} < latijn Delta [de delta van de Nijl] < grieks delta [de letter d, de delta van de Nijl]; de vorm van de hoofdletter d in het gr. is die van een driehoek; de benaming delta voor de d stamt uit fenicisch-hebreeuws dāleth [deur]; de vierde letter van het hebr. alfabet lijkt op een deur.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

delta s.nw.
1. Vierde letter van die Griekse alfabet. 2. Driehoekige stuk land in die mond van 'n rivier.
Uit Ndl. delta (1832 in bet. 1, 1857 in bet. 2).
Ndl. delta in bet. 1 uit Grieks delta uit Fenisies-Hebreeus daleth 'deur', so genoem omdat die hoofletter D se driehoeksvorm aan die driehoekige deur van 'n tent herinner. Die driehoekige stuk land word so genoem omdat dit aan die Griekse hoofletter D herinner.
D. Delta (reeds 16de eeu, maar eers 19de eeu in huidige vorm), Eng. delta (ongeveer 1200 in bet. 1, 1555 in bet. 2), Fr. delta, It. delta, Port. delta, Sp. delta.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

delta ‘Griekse letter d’ (Grieks delta); ‘land omsloten door rivierarmen’ (Latijn delta)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

δ, Δ, δέλτα, 4e letter van het Gr. alphabet; in den vorm δ veel gebruikt voor kleine grootheden, in den vorm Δ voor verschillen (→ differentia).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

delta ‘land omsloten door rivierarmen’ -> Indonesisch délta ‘land omsloten door rivierarmen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

delta land omsloten door rivierarmen 1832 [WEI] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut