Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

delen - (in delen scheiden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

delen ww. ‘in delen scheiden’
Onl. deilon ‘verdelen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. deilen, deelen ‘delen’ [1240; Bern.].
Afleiding bij het zn.deel 1.
Os. dēlian ‘(ver)delen’; ohd. teilen ‘id.’ (nhd. teilen); oe. dǣlan (ne. deal ‘uitdelen’), ofri. dēla; on. deila; got. dailjan; < pgm. *dailjan- ‘(ver)delen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

delen* [verdelen] {oudnederlands deilon 901-1000, middelnederlands de(i)len; vgl. deler [getal waardoor men een ander deelt] 1532} oudsaksisch delian, oudhoogduits teilen, oudfries dela, oudengels dælan, oudnoors deila, gotisch dailjan; afgeleid van deel1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

delen ww., mnl. deilen, dêlen, onfrank. deilon, os. dēlian, ohd. teilen, ofri. dēla, oe. dælan (ne. deal), on. deila, got. dailjan. — Afl. van deel 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

deelen ww., met ê voor ei naar deel, mnl. deilen (nog dial.: N. Brab.), dêlen. Een algemeen-germ. ww: onfr. deilon, ohd. (nhd.) teilen, os. dêlian, ofri. dêla, ags. dœ̂lan (eng. to deal), on. deila, got. dailjan “deelen, toedeelen”; ook obg. děliti “id.”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Deel ww. By kaartspel: Wie moet deel? Wie se deel is dit? Anglisisme? – Van de Water 67: Dêlǝ, geven bij het kaartspel:” Dek 24: “Dêelen, geven bij ’t kaartspel. Wien mot er dêelen? Wien eit den dêel?” De Bo i.v. deel, id.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

delen ‘splitsen in factoren’ (bet. van Latijn dividere)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

delen ‘verdelen’ -> Deens dele ‘verdelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dele ‘verdelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Berbice-Nederlands dele ‘verdelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

delen* verdelen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1136. Kiezen of deelen,

d.w.z. eene keuze doen uit twee (dikwijls onaangename) dingen, eene beslissing nemen; het begrip deelen is geheel op den achtergrond gedrongen. De oorsprong van dit gezegde ligt in een zeer verbreiden regel van burgerlijk recht. Wanneer er een gemeene boedelscheiding geëischt werd, dan had deze in dier voege plaats, dat - waar er twee deelgenooten waren, de een kavelde, de deelen zette, deelde, de ander van de gezette deelen koos wat hem het best behaagde. Ieder deelhebber moest dus een van tweeën, kiezen of deelenZie Mededeelingen v.d. Maatschappij der Nederl. Letterk. 1897/98, bl. 120.. Vgl. mnl. delen ende kiesen; kiesen ende delen, o.a. bij Ruusb. III, 260: Hier omme seg ic u allen die noch inder tijt van gracien sijt, dat ghi kieset ende deylet, met wat geselscap dat ghi leven ende sterven wilt; Goedthals, 90: Kiest en deelt, die neemt voren, heeft ghecoren, qui premier prend, ne se repent; Sart. III, 1, 74: Sy mogen kiesen of deylen. Zie ook Vondel, Jeptha, 917: Kies en deel; Brederoo I, 369, 2006; II, 317, 2329; W.D. Hooft, Verl. Soon, 19; Harrebomée III, 15; Villiers, 61; De Cock1, 57; 114; Antw. Idiot. 649; Rutten, 112 a; Waasch Idiot. 331: kiezen of kavelen; fri. kieze of dele. Syn. hij moet aan de kat of aan de kaas; in Antw. Idiot. 1167: springen of baden; eieren of jongen.

2696. (Aanv.) Looden pijpen, samen deelen

wordt gebezigd als iemand iets vindt of een buitenkansje heeft. Hij, die er getuige van is, roept dan deze woorden om te kennen te geven, dat hij er zijn aandeel in wil hebben. De zegswijze is een dievenuitdrukking. Vgl. Amsterdammer, 30 Mei 1925, p. 11: De kapers hadden er ('t oude pesthuis) vrij spel. Het was hoofdzakelijk het zware, in ontzaglijke hoeveelheden aanwezige lood, dat de nokken, dakvensters en goten van dit groote bouwwerk bedekte, hetwelk het ontgelden moest. Bij karvrachten werd het er vandaan gehaald. Lood stond bij deze heeren steeds in hoog aanzien. Vandaar het spreekwoord: Looie pijpen, samen deelen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal