Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

delegeren - (afvaardigen, overdragen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

delegeren ww. ‘afvaardigen, overdragen’
Vnnl. in gedelegueerde ‘afgevaardigde’ [1579; WNT Aanv.], delegeren ‘overdragen’ [1612; WNT jurisdictie], delegeeren ‘bevel geven’ [1650; Hofman], delegeren “bevel geeven, onthieten (‘bevelen’), afzenden, schuldtoverwijzen, ontmaaken (‘zich ontdoen’)” [1669; Meijer].
Ontleend aan Frans déléguer ‘afvaardigen’ [1395; Rey] < middeleeuws Latijn dēlegāre ‘zenden, toevertrouwen, opdragen’, gevormd uit ‘weg...van’, zie → de-, en legāre ‘als gezant sturen, wettelijk opdragen’, zie ook → legatie en → legaat, afgeleid van lēx (genitief lēgis) ‘wet’, misschien verwant met legere ‘verzamelen’, zie → legende.
Zoals vele andere juridische termen heeft ook delegeren zijn weg vanuit het Latijn via het Frans naar het Nederlands gevonden.
delegatie zn. ‘afvaardiging; schuldoverdracht’. Vnnl. delegatie “beveelinge, oversettinge, ontmakinge”, ofwel ‘bevel, het zich ontdoen’ [1650; Hofman], delegatie, ook “bezending, gezantschap, schuldtoverwijzing” [1663; Meijer]; nnl. ‘schuldoverdracht’ [1838; WNT Aanv.], ‘afvaardiging’ [1847; Kramers], ‘overdracht van bevoegdheden’ [1914; WNT Aanv.]. Ontleend aan Frans délégation ‘afvaardiging’ [19e eeuw; Rey], eerder al ‘(schuld)overdracht’ [13e eeuw; Rey] < Latijn delegatio ‘id.’, een afleiding van delegāre.

EWN: delegeren ww. 'afvaardigen, overdragen' (1579)
ANTEDATERING: mnl. na dat een sake is ghedeleguiert 'nadat de zaak is overgedragen' [1483; Boutillier cap.278, N2v]
EWN: ♦ delegatie zn. 'afvaardiging; schuldoverdracht' (1650)
ANTEDATERING: mnl. Vanden tijde vander delegacie 'over de tijdsduur van de overdracht' [1483; Boutillier cap.278, N2v]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

delegeren [overdragen, afvaardigen] {1650} < frans déléguer < latijn delegare [toevertrouwen, opdragen, toewijzen], van de [weg] + legare [als gezant zenden] (vgl. legatie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

delegeer ww.
1. Bevoegdhede of magte oordra. 2. Afvaardig.
Uit Ndl. delegeren (1612 in bet. 1, 1650 in bet. 2).
Ndl. delegeren via Fr. déléguer uit Latyn delegare 'toevertrou, opdra, toewys', 'n afleiding met de- 'weg' van legare 'as gesant stuur'.
D. delegieren (16de eeu), Eng. delegate (1530), Fr. déléguer, It. delegare, Port. delegar, Sp. delegar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

delegeren ‘overdragen, afvaardigen’ -> Indonesisch délégir ‘overdragen, afvaardigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

delegeren overdragen, afvaardigen 1597 [Aanv WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut