Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

del - (slet, vod)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

del 2 zn. ‘slet, slons’
Mnl. dille ‘meisje’ in Nachtraefkens loopen na lichte dillekens ‘Nachtbrakers lopen lichte meisjes na’ [15e eeuw; MNW]; vnnl. Dat ick het wage den strijd behagel onder de dellekens van nieu-caer ‘de meisjes van nieuwe liefde’ [16e eeuw; MNW], dille, dilleken ‘klappei, roddelaarster’ (1599; Kil.), nnl. del ‘slordig gekleed vrouwspersoon’ [1793-98; WNT].
De herkomst is niet zeker, maar wrsch. hoort het bij het werkwoord mnl. dillen ‘kletsen’ [1287; CG II, Rijmb.], zie → bedillen.
De betekenis ‘sloerie’ is mogelijk al oud, getuige de Middelnederlandse vindplaats uit de 15e eeuw. Dit is echter niet zeker, zie de uitdrukking lichte meisjes waarin meisjes een volkomen neutraal woord is. Behalve in het Nederlands bestaat het woord alleen als verouderd Engels dell ‘del’ [1567; OED].

EWN: del 2 zn. 'slet, slons' (15e eeuw*)
ANTEDATERING: trout elc een dille 'trouw ieder een meid' [1528; Bijns (1987), 131]
{* De eerste attestatie in het EWN moet geschrapt worden. De datering van deze tekst van Anna Bijns (1493-1575) is in elk geval later dan de 15e eeuw.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

del2* [slet, vod] {dille, delle [babbelaarster, meisje] 1350; als ‘vod’ 1926-1950} hoort bij bedillen; de betekenis ‘vod, flard’ is secundair t.o.v. die van ‘slordig wijf’, waarmee de omgekeerde weg is bewandeld van slet, slons, dweil.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

del 2 znw. v. ‘slet, slons’, vgl. mnl. delle, dille ‘klappei’, dat behoort bij bedillen.

De bet. ‘flard, vod’ is jonger, ws. onder invloed van woorden als slet en slons, waarbij de ontwikkeling in omgekeerde richting gegaan is (v. Haeringen, Suppl. 32).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† del II znw. (slet, slons), mnl. dille, delle v. ‘klappei, (lichtzinnig) meisje’. Zie bedillen. De bet. ‘flard, vod’ is jonger, anders dus dan bij dweil, lap, slet, slons, zal echter onder invloed van zulke woorden zijn opgekomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

del 2 v. (drel), Mnl. delle, dille, van dillen (z. bedillen 2), dus = klappei; voor de ontwikkeling der bet. vergel. de uitdrukking: lichte dille.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

del (zn.) slons, hoertje; Middelnederlands dille <1450>.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

del: ordinaire, slechte of slonzige vrouw, slet*. In het Middelnederlands had het woord al de betekenis ‘hoer’. Tegenwoordig vooral populair in jeugdtaal. Verouderd of minder frequent voorkomend is smeerdel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog noemde men een meisje dat na de bevijding een relatie aanging met een Canadese soldaat smalend een canadel. Het woord is een samentrekking van het woord ‘Canadees’ met het scheldwoord del. In het wielermilieu worden ‘groupies’ (meisjes die de renners adoreren en hen overal volgen) voor dérailleurdellen uitgescholden. In het homojargon bestaat er een werkwoord dellen: nichterig gedrag tentoonspreiden. Zie ook nog cittadel*.

Wat die d’r man had uitgevoerd met die flodder van twee-hoog achter, dat gemeene del, dat altijd in d’r borstrok liep!… hoe dat wijf van driehoog d’r kind rammelde… (Frans Coenen, Zondagsrust, 1902)
Zij, de Zeedijk- en andere dellen daarentegen waren alleen afgericht op ’t doen van een ‘jovene slag’. (Israël Querido, De Jordaan, 1914)
Op de tv danste bij dat lied een achtentwintigjarige del van een uitzendbureau de horlepiep. (Gerrit Komrij, Horen, zien en zwijgen, 1977)
Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

asjemenou [uitdrukking] (1950). De zevende druk van het Van Dale Groot woordenboek verschijnt in 1950 onder redactie van C. Kruyskamp (1911-1990) en F. de Tollenaere (1912-2009). Ze zijn de eersten die in een woordenboek het woord asjemenou opnemen, een elliptische uitdrukking van als je me nou … die moet worden aangevuld met bijvoorbeeld belazert. Andere voorbeelden van woorden die voor het eerst worden opgenomen zijn: chips (‘gebakken aardappelschijfjes’), cracker, del, kaasschaaf, ketchup, kiplekker, knoeipot, matten (‘vechten’), paperclip, piemelnaakt, pineut, pitten (‘slapen’), snipverkouden en tent (‘horecagelegenheid’).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

del* slet 1350 [MNW]

del* vod 1950 [GVD]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut