Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dekken - (bedekken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dekken ww. ‘bedekken’
Onl. *theckon ‘bedekken’ in thecoda ‘bedekte’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. decken ‘bedekken’ [1240; Bern.].
Het gaat om een afleiding bij pgm. *þaka- ‘dak, bedekking’, zie → dak, dus eigenlijk ‘van een dak, bedekking voorzien’. Het woord is verwant met Latijn tegere ‘bedekken’ en toga ‘toga’ (letterlijk ‘wat bedekt’).
Os. thekkian ‘bedekken’; ohd. decken ‘id.’ (nhd. decken); ofri. thekka (nfri. dekke); oe. þecc(e)an (ne. thatch); on. þekja; < pgm. *þakjan- ‘bedekken’.
Oorspr. betekende het woord dus ‘bedekken’ in het algemeen. In de betekenis ‘tafel dekken (met een tafelkleed en later ook serviesgoed)’ komt het al in het Middelnederlands voor [eind 14e eeuw; MNHWS]. Ook in combinatie met schulden moet men aan de betekenis ‘be-, afdekken’ denken.
dekking ‘het dekken; dat wat dekt’. Mnl. deckinge ‘afdekking’ [1351; MNW cunnele]; nnl. dekking ‘bescherming’ [1731; WNT veld I], ‘bevruchting van paarden’ [1779; WNT], ‘tegenwaarde (bij leningen e.d.)’ [1798; WNT Supp. aviseeren], ‘vrijwaring tegen schade’ [1910; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dekken* [bedekken, beschermen, vergoeden, paren] {oudnederlands theccan 901-1000, middelnederlands decken [(be)dekken, beschermen, vergoeden]} middelnederduits, oudhoogduits decken, oudfries thekka, oudengels theccan, oudnoors þekja [bedekken]; buiten het germ. latijn tegere [bedekken] (vgl. toga), grieks tegos [dak], oudiers tech [huis], welsh to [dak], litouws stogas [dak], mogelijk oudindisch sthagati [hij bedekt, verbergt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dekken ww., mnl. decken, onfrank. theccan, mnd. decken, ohd. decken, ofri. thecca, oe. ðecc(e)an, on. þekja ‘dekken’, van germ. *þakjan. Het zw. ww. heeft in het germ. het oudere *þěkan verdrongen, vgl. gr. lat. tegō en zie verder: dak. Voor het caus. zie verder oi. sthagayati ‘bedekken’, oiers tuigim ‘dek’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dekken ww., mnl. decken. = onfr. theccan, ohd. decken (nhd. decken), mnd. decken, ofri. thekka, ags. ðecc(e)an, on. þekja “dekken, bedekken”, germ. *þak-janan, vervangt in het Germ. het primaire idg. ww. *tegô “ik (be)dek” (zie dak): vgl. oi. sthagayati “hij bedekt, verbergt” (in dezelfde bet. sthágati), ier. tuigim “ik dek”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dekken o.w., Mnl. decken, Onfra. theccan + Ohd. dechan (Mhd. decken, Nhd. id.), Ags. đeccan, Ofri. thekka, On. þekja (Zw. täcka, De. tække): met e = ä van ’t enk. imp. van een sterk werkw. dat in het Germ. alleen in ’t Mnl. voorkomt: deken, (dak), gedeken + Skr. sthagāmi, Gr. stegein, tegos, Lat. tegere. Oier. tuigim: Idg. wrt. steɡ en wrt. teɡ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2dek ww.
1. Toemaak. 2. Omvat. 3. Beskerm. 4. Vergoed. 5. 'n Dak maak.
Uit Ndl. dekken (al Mnl.).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Dek ww. Segsw. Hy dek vir die honde tafel. Onder kinders spottend gebruik as ’n seun se hemp uit sy broek hang. – Harreb. I, XXXVI: Het hemd uit de broek zal tafel dekken. Vgl. Ter Laan 552: Kou wordt mḕlk! in dieselfde verband. In Afr. Kom ook voor: Daar is ’n bok in die land.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dekken (elkaar --) ‘gelijke inhoud hebben’ (Duits sich decken)

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

dekken. - Het is bekend dat er in onze taal een groot aantal werkwoorden bestaat, van andere afgeleid met het voorvoegsel be-. Tusschen het oorspronkelijke en het afgeleide werkwoord bestaat zeer vaak slechts een gering verschil, eene schakeering van beteekenis, welke in het Fransch slechts zelden door een afzonderlijk woord uitgedrukt wordt. De omstandigheid nu, dat in de taal onzer Zuiderburen de twee begrippen, waarvan in het Nederlandsch het eene door een oorspronkelijk werkwoord, het andere door eene afleiding met be- worden uitgedrukt, door een en hetzelfde verbum worden weergegeven, is oorzaak dat onze schrijvers zeer vaak het verschil in beteekenis tusschen de twee naast elkaar staande Nederlandsche ww. uit het oog verliezen, en een oorspronkelijk werkwoord gebruiken waar eene afleiding met be- vereischt wordt. Deze fout treft men gewoonlijk aan in den vorm van het verleden deelwoord. Zoo vindt men niet zelden dekken, verl. deelw. gedekt, waar ons taaleigen bedekt vereischt. Het eene zoowel als het andere luidt in het Fransch couvert. || ’t Was eerst in het midden der XVIe eeuw dat de met kleem bestrekene, met stroo gedekte woningen langzamerhand gingen verdwijnen, Gent 1, 144. De Japaansche tasjes worden op het verlakte schenkbord geplaatst, de tafel met het kostelijke damasten laken gedekt, a. bergmann, Staas 54.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dekken ‘paren’ -> Papiaments dèk ‘paren, bevruchten, bespringen bij grotere zoogdieren als bokken, hengsten, reuen’; Surinaams-Javaans ngedèg ‘paren, kruisen’.

dekken ‘bedekken; beschermen, verdedigen (sport); bestek en servies op tafel zetten’ -> Engels deck ‘(verouderd) bedekken, kleden; versieren; (verouderd) toerusten; van een dek voorzien (scheepvaart); in- en uitladen (mijn- en houtindustrie)’; Deens dække ‘bedekken; beschermen, verdedigen (sport); vergoeden; bestek en servies op tafel zetten; verstoppen; verslag uitbrengen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dekke ‘bedekken, verdedigen, vergoeden’ (uit Nederlands of Nederduits); Xhosa ukudeka ‘bedekken’ ; Makassaars dêkkeng ‘bedekken’; Muna deke ‘beschermen’; Negerhollands dek ‘bedekken’; Papiaments dèk ‘verdedigen (bij bepaalde spelen)’; Sranantongo deki, dèk ‘tafel dekken’; Surinaams-Javaans ngedèg ‘dekking geven, bescherming geven, beschutten, steunen, achter iemand staan, vergoeden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dekken* bedekken 0901-1000 [WPs]

dekken* beschermen (met schild en fig.) 1350 [MNW]

dekken* paren 1600 [WNT]

dekken* vergoeden 1860 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1219. Zich koes(t) (of koestem houden,

d.w.z. zich stil houden, zwijgen; in Antw. zijn eigen gewrongen, genepen, smal houden (Antw. Idiot. 491; 1129). Dit bijw. koes(t) is hetzelfde woord als het tusschenwerpsel koes(t)!, dat ontleend is aan het fr. couche! couche toi! en ook stil! beteekent. In het dial. duitsch zegt men eveneens sedert de 17de eeuwSchulz, 416: Kusch! daneben auch im 17ten Jahrh. couché machen, und couchen. kutsch! en kusch!; in Leipzig kauz dich tegen de kinderen die slapen moeten; fri. koes-ty; Molema, 535: koes die; in Zuid-Nederland: houd u koes, koesde, koest u, koeste, koeskes, koeskies, koezekes, koezekies (De Bo, 550; Schuerm. 272; Waasch Idiot. 360 b; Antw. Idiot 1832; Teirl. II, 163 en Hoeufft, 313); fri. him koes hâlde. Vgl. ook zich sus houden (De Jager, Frequ. I, 738); zich duuk houden (in Landl. 57; 166; 178); zich smok houden (De Vries, 96); hem piet houden (Claes, 184); zich gedekt houden, zich kalm houden, niets zeggen, ook wel op zijn hoede zijn (eig. zich binnen de beschutte plaats houden, waar men is); zie Köster Henke, 19; B.B. 80; 137; Nkr. V, 17 Oct. p. 2; 26 Febr. p. 2; Ndl. Wdb. III, 2377.(Aanv.) Nest, bl. 61: Hein, houd je nu koestem; bl. 100: Als hij dan nog niet koestem is.)

2420. De vlag dekt de lading,

d.i. in eigenlijken zin: de koopvaaardijschepen varende onder onzijdige vlag worden door de oorlogvoerende partijen geëerbiedigd. Daar hiervan dikwijls misbruik gemaakt werd om contrabande binnen te smokkelen, wordt de uitdrukking in figuurlijken zin gebezigd, wanneer iets leelijks onder een fraaien naam voor wat goeds moet doorgaan of het een of ander slecht product gedekt door een goed bekend staanden naam in den handel gebracht wordt; Harreb. II, 3 a; Van Lennep, 246; afrik. die vlag dek die lading; fr. le pavillon couvre la marchandise; hd. die Flagge deckt die Ladung; eng. the flag covers the cargo; free flag makes free bottom.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)teg-1 ‘decken’, (s)tegos- n. ‘Dach, Haus’, (s)teg-to- ‘bedeckt’, togā ‘Bedeckung’

Ai. sthagati (umbelegt), sthagayati ‘verhüllt, verbirgt’; gr. στέγω ‘decke, schütze usw.’, στέγος, τέγος n. (= air. tech), στέγη, τέγη f. ‘Dach, Haus’, στεγανός ‘deckend, schirmend; bedeckt, versteckt’, στεγνός ‘bedeckend, schützend; bedeckt, verschlossen; kompakt, fest, dicht’ (s. wegen dieser Bed. auch *tegu- ‘dick’), στεκτικός ‘bedeckend, schützend’;
lat. tegō, -ere ‘decken, bedecken’, tēctum ‘Dach’ (= στεκτός), tegulum ‘Decke, Dach, Hülle’, teges, -etis ‘Decke, Matte’, tēgula ‘Dachziegel’, toga ‘Toga’; umbr. tehteřim ‘tegimentum, tectorium’;
air. tech (neutraler -es-St. = gr. τέγος), acymr. tig, ncymr. ty, acorn. ti ‘Haus’, abret. bou-tig ‘Kuhstall’ (mit unklarem brit. i); Pl. acymr. te, ncymr. tai, auch in air. teg-lach ‘Hausgenossenschaft’, cymr. teulu, acorn. teilu ‘Familie’ (*tego-slougo-), air. -tuigiur ‘ich decke’ = ahd. decchiu; tuige ‘stramen’ (*togi̯ā), imthuge ‘Bedeckung, Bekleidung’, cymr. am-do ‘amiculum, involucrum’, air. ētach ‘Kleid’, cymr. corn. to ‘Dach’, cymr. toï ‘tegere’;
aisl. þekja ‘decken’, ags. þeccan ‘bedecken’, ahd. decchendecken’ (Iterativ *togei̯ō = air. tuigiur, unter Verdrängung von idg. *tegō); aisl. þak, ags. ðæc, ahd. dah n. ‘Dach’; aisl. þekja ‘Dach’, ahd. decchi ‘Decke, Dach’; ags. þecen, as. thecina ds., dazu aisl. staka, stakka f. ‘Fell’; (ohne s norw. dial. taka ‘Schweinshaut’);
dehnstufig lit. stíegiu stíegti ‘ein Dach eindecken’, apr. steege ‘Scheuer’, lit. stíegtojas ‘Dachdecker’, ablaut. stógas = apr. stogis ‘Dach’; vielleicht russ.-ksl. stogъ m. ‘Schober, Haufe’.

WP. II 621 f., WH. II 654 f., Trautmann 288.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal