Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

degelijk - (solide, duurzaam)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Het EWN meldt dat "De vormen met -r- gaan wsch. terug op de genitief vrouwelijk, die zonder -r- op de genitief mannelijk." Dat is onjuist. De vormen met -r- zijn direct afgeleid van het bw. MNl. deger, tiegere 'geheel' (wel juist: het VMNW). Ook het Middellaagduits kent deze formatie: degerliken 'geheel'. Het verdwijnen van -r- in degelijk kan naar voorbeeld van het zn. deghe zijn gebeurd. De -ie- van Nederrijns tiegere is niet "slecht te verklaren", zoals het EWN zegt, maar gaat klankwettig terug op korte *i, zoals ook in andere Gm. talen wordt aangetroffen: OFri. diger 'precies', ON digr 'dik', Got. digrei 'dikte'.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

degelijk bn. ‘solide, duurzaam’
Mnl. degerlec bw. ‘zeer’ [1291-1300; Diat.], degelike ‘deugdzaam, naar behoren’ [14e eeuw; MNW]; vnnl. deghelijcke lien ‘vrome, deugdzame mensen’ [1657; WNT]. Ook in de vorm mnl. degher bw. ‘volkomen’ [1450-1500; MNW], eerder tiegere [1201-1225; CG II, Floyr.].
Gevormd uit mnl. deghe ‘aanwas, voorspoed’, bij het werkwoord dien ‘groeien; in eer en aanzien toenemen’, zie → gedijen, → gedegen, met het achtervoegsel → -lijk. Het is niet uitgesloten dat er invloed is geweest van het bn. degenlike ‘als een krijger, heldhaftig’ [begin 14e eeuw; MNW], eerder onl. thegenlīcho bw. ‘dapper’ [10e eeuw; W.Ps.], dat afgeleid is van onl. *thegen ‘jongeman, krijger’, zie → degen 2. De vormen met -r- gaan wrsch. terug op de genitief vrouwelijk, die zonder -r- op de genitief mannelijk. De vorm tiegere is slecht te verklaren.
Mnd. degerliken ‘krachtig, flink’; ohd. dëgerliche. In de korte vorm mnd. deger, mhd. dëger.
Tot in het begin van de 20e eeuw werd deeg nog gebruikt in de betekenis ‘voordeel, nut’, bijv. in dat middel zal u deeg doen [1940; Koenen]. Thans bestaan alleen nog de afleidingen degelijk en → terdege.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

degelijk* [deugdelijk] {degelijc 1327} van deeg1.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

terdege

Ter dege betekent: flink, goed, geducht. Het woord bestaat uit het voorzetsel te, verbonden met het lidwoord der (derde naamval) en het zelfstandige naamwoord deeg. Dit woord deeg hangt samen met een oud werkwoord dijen: groeien, waarvan thans alleen nog de samenstellingen gedijen en uitdijen in zwang zijn. Dit werkwoord was vroeger sterk. De verleden tijd luidde deech, het deelwoord gedegen. Deze vorm kennen wij nog in gedegen (zuiver) goud.

Het zelfstandige naamwoord deeg betekende: voorspoed, voordeel, genoegen. Het kwam vooral in zegswijzen voor: deeg van iets hebben, iemand deeg doen, van deeg spreken (verstandig spreken) enz. Het bijvoeglijke naamwoord luidt degelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

degelijk bnw., mnl. dēgelijc ‘voortreffelijk, voornaam’, ook mnd. is gevormd bij dege.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

degelijk bnw., afl., ook mnl., Teuth. en mnd. = “degelijk”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

degelijk bijv., een afleid. van dege.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

deeglik b.nw., bw.
1. Betroubaar, knap, flink. 2. Sterk, bruikbaar, duursaam. 3. Ernstig, met nadruk. 4. (slegs bw.) Regtig, werklik.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. degelijk (1555 in bet. 1, ongeveer 1610 in bet. 2, 1860 - 1875 in bet. 3). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel. Ndl. degelijk uit Mnl. degelijc, met lg. 'n afleiding van deeg 'iets goeds, voordeel, welvaart'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm degelik.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

degelijk ‘deugdelijk’ -> Deens dejlig ‘heerlijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors deilig ‘heerlijk, verrukkelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds dejlig ‘liefelijk, lieftallig’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

degelijk* deugdelijk 1327 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut