Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deftig - (waardig, voornaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

deftig bn. ‘waardig, voornaam’
Vnnl. deftig ‘gewichtig, belangrijk’ [1584; Twe-spraack]. Verwante woorden waren mnl. ondaft ‘onbehoorlijk gedrag, straatschenderij’ [1456; MNW], ondeeft ‘heel veel’ [1440; MNHWS], ondievelike ‘op een ellendige manier’ [1480; MNW], onghedieve ‘ongepast’ [begin 15e eeuw; MNW], onghedoeve ‘ruw, woest’ in also onghetrauwe ende onghedouf ‘zo trouweloos en woest’ [1380-1420; MNW] en ‘onrustig, ongedurig’ [begin 15e eeuw; MNHWS] en vnnl. ondieft ‘ongepast, onbehoorlijk’ [1644; WNT]. De vormen met -ie- stammen daarbij uit het Fries, dat umlaut kende van pgm. -ō-, die in het Nieuwnederlands normaal -oe- oplevert.
Fri. deftich ‘deftig’. Verwant zijn ook ofri. unidēve ‘gruwelijk’; oe. gedæfte ‘passend, vriendelijk’ (ne. deft ‘handig’, daft ‘dom’); on. dafna ‘uitdijen’; got. gadaban ‘passen, gebeuren’, gadōb ‘passend’. Duits deftig ‘degelijk, solide’ [17e eeuw], nu vooral ‘stevig, krachtig’ is ontleend aan het Nederlands.
Al deze woorden zijn afgeleid van een wortel pgm. *dab-, *dōb- ‘passend’. Buiten het Germaans zijn te vergelijken Latijn faber ‘handwerker, smid’, Litouws dabnùs ‘sierlijk’, dabinti ‘versieren’, bij pie. *dhabh- ‘passend’; en Oudkerkslavisch dobrŭ ‘goed’ (Russisch dobryj, Tsjechisch dobrý), Armeens darbin ‘smid’, bij pie. *dhabh-ro ‘passend samenvoegen, passen’ (IEW 232-33). Een dergelijke pie. wortel met de klinker -a- is echter niet wrsch. Men zal dus eerder moeten uitgaan van pie. *dhobh- voor wat betreft de pgm. en Baltoslavische vormen of eventueel *dhHbh- voor de Latijnse en Armeense woorden, als die tenminste verwant zijn. Waarschijnlijker is echter overname uit een substraattaal, dan kunnen alle genoemde woorden tot een wortel *dhabh- herleid worden.
De oorspr. betekenis van het woord zal iets als ‘passend’ zijn geweest, nog te zien in het BN gebruik van deftig ‘fatsoenlijk, behoorlijk’. Daaruit ontwikkelden zich een aantal specifieke betekenissen, zoals ‘verstandig’, vgl. Hoe menig seldsaem hooft, vol grillig onverstant, Is door een deftig wijf gehouden in den bant ‘Hoeveel dwazen, vol onverstand, zijn door een verstandige vrouw in toom gehouden’ [Cats; WNT]. Daarnaast ontstonden betekenissen als ‘plechtig, statig’ en ‘aanzienlijk, van betekenis’: van deftige en aenzienlijke lieden [1748; WNT].
Lit.: R.S.P. Beekes (1995) ‘Ancient European loanwords’, in: Historische Sprachwissenschaft 109, 215-236; Kuiper 1995

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deftig* [voornaam] {1584 in de betekenis ‘belangrijk, gewichtig’; de huidige betekenis 1748} oudengels dæfte [zacht, vriendelijk], gotisch gadaban [betamen], oudnoors dafna [gedijen]; buiten het germ. latijn faber [smid], oudkerkslavisch dobrŭ [goed].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

deftig

Er zijn bijvoeglijke naamwoorden die, meestal met betekenisverschil, voorkomen met en zónder het achtervoegsel‑ig. Men vergelijke goed met goedig, vies met viezig, droef met droevig, nat met nattig, zoet met zoetig, levend met levendig en best met bestig. Zo heeft naast deftig vroeger ook een woord deft bestaan, door Vondel nog gebruikt. Nog ouder is de ontkenning ondeft voor: onbetamelijk gedrag. Het woord deftig heeft vele betekenissen gehad: verstandig, plechtig, degelijk, geacht enz. Wij gebruiken het thans voor degenen die zich door hun waardig voorkomen en hun goede manieren doen kennen als behorend tot de aanzienlijken, maar het begrip is uiterst moeilijk te omschrijven. Een zekere plechtstatigheid hoort er bijvoorbeeld ook toe.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

deftig bnw., komt eerst in de 17de eeuw op in de bet. ‘belangrijk, gewichtig’, een oorspr. hollands-fries woord; te vergelijken zijn laat-mnl. (holl.) ondaft ‘onbetamelijk gedrag’, ondeeft ‘heel veel’, oud-nnl. ondieft ‘ongepast, buitengewoon, aardig, mooi, lief’. Uit te gaan van *dafti, vgl. oe. gedæfte ‘passend, vriendelijk’ (ne. deft), waarnaast echter ook mnl. onghedoef ‘ruw, woest’ vgl. onghedieve ‘onbetamelijk’ (met fries-holl. umlaut). Deze behoren verder tot got. gadaban ‘betamen, gebeuren’, on. dafna ‘gedijen, in kracht toenemen’, oe. gedafenian ‘passen’. — lat. faber ‘handwerker, kunstenaar’, osl. doba ‘gelegenheid’, dobrŭ ‘goed’, lit. dabiniù, dabìnti ‘versieren’, dabnùs ‘sierlijk’, arm. darbin (indien < *dhabhro) ‘smid’ (IEW 233). — > nhd. deftig dat reeds in de 13de eeuw deels langs de kust uit Friesland, deels ook langs de Rijn zich uitgebreid heeft.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

deftig bnw., nog niet bij Kil., in de 17de eeuw vaak = “belangrijk, gewichtig, niet gering”; ospr. een holl.-fri. woord. Vgl. laat-mnl. (holl.) ondaft “onbetamelijk gedrag”, ondeeft “heel veel”, ospr. “ongepast”, oud-nndl. ondieft “ongepast, buitengewoon, aardig, mooi, lief’. Deze woorden zijn alle fri.-holl. Deftig zal wel umlaut van a hebben, vgl. mnl. ondaft en ags. gedæfte “passend, vriendelijk” (eng. deft); het zou ook een uit ê (fri. umlaut van ô) verkorte e kunnen hebben, vgl. ondeeft, ondieft en mnl. on-ghedoef “ruw, woest” (éénmaal onghedieve “onbetamelijk” met fri.-holl. umlaut), got. gadobs, ags. gedêfe “gepast”. Hierbij nog uit het Germ. got. ga-daban “betamen, gebeuren”, on. dafna “flink worden”, ags. dafenian “betamen”, gedafen “gepast”, en buiten ’t Germ. slav. dob- o.a. in obg. podobati “betamen”, balt. dab- o.a. in lit. dabnùs “sierlijk”. Al deze woorden veronderstellen met lat. faber en de bij dapper hiermee gecombineerde woorden een idg. basis dhabh- “passen, samenvoegen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

deftig bijv., met e = ä, Mnl. ondaft = ongepast + Ags. gedæfte = passend (Eng. deft), Go. gadobs = passend, gadaban = betamen + Lat. faber = kunstenaar, Osl. dobrŭ = goed, Lit. dabinti = versieren: Idg. wrt. dhabh = passen; zie ook dapper en ondieft.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

deftig b.nw.
1. Vernaam, statig, swierig. 2. Formeel, hoogdrawend, styf. 3. Gedug (bv. 'n deftige pak slae).
Uit Ndl. deftig (1584 in bet. 1, 1726 in bet. 2, 1899 - 1906 in bet. 3). Eerste optekening in vroeë Afr. in 1800 in die aanhaling "als dat hey een deftig pak slagen voor de tronk moet hebben" (Scholtz 1965), waarna in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. deftig uit Nederduits deftig wat soos Eng. deft (Oudengels dæfte 'sag, vriendelik') en Angel-Saksies gedéfe, gedœfte uit die stam van Goties gadaban 'pas' kom.
D. deftig (17de eeu).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Deftig had vroeger behalve de bet.: van aanzienlijken stand, en dit door manieren en voorkomen toonend, en van: plechtig, afgemeten, vormelijk, ook nog vele andere schakeeringen. o.a.: verstandig, bezadigd, zedig, ingetogen, plechtig, statig, ernstig, zinrijk, edel, verheven, degelijk, deugdelijk, aanzienlijk, gewichtig, belangrijk; ’t is ontleend aan ndd. deftig, verwant met eng. deft, ags. gedefe en gedaefte, deflic = passend, go. gadaban, = passen, gebeuren. Eenige voorbeelden van bij ons nu ongewone beteekenissen volgen: Cats 1, 319 a: Hoe menig seldsaem hooft... Is door een deftig wijf gehouden in den bant; 2, 117 b: “Een deftig schrift”; 2, 564 b “Syn swackheyt af te gaen en die te konnen decken, Is vry een deftig werck”; De Brune, Wetsteen I, III: “Gelijk als de vrouwen... in schielike voorvallen zeer goed en deftig zijn”; Van Braght, Martelaersspiegel 2. III c: “Deftige exempelen van liefde”; Chomel, Alg. Woordenb. (1778) 276 b: “Deeze zalf is zeer deftig.”

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Deftig. In ’t Angelsaksisch was ’t w.w. dafan = passen, betamen; ’t Engelsche deft is fraai, geschikt, gepast. Vgl. Brandt: „Dit was een deftig gedicht”. Verwant is ’t 17e eeuwsche ondieft = zeer aardig, lief, schoon; on is hier dezelfde versterking als in van inzoet, indroog, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

deftig ‘voornaam; (verouderd) deugdelijk, flink, geducht’ -> Fries deftich ‘voornaam’; Duits deftig ‘stevig, grof; voornaam’ ; Deens deftig ‘stevig, krachtig, flink, zwaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis dèftig ‘voornaam’; Kupang-Maleis dèftig ‘voornaam’; Menadonees dèftig ‘voornaam’; Ternataans-Maleis dèftig ‘voornaam’; Papiaments dèftu ‘voornaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

deftig* voornaam 1584 [Toll.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal