Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deflatie - (waardevermeerdering van geld)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

deflatie zn. ‘waardevermeerdering van geld’
Nnl. deflatie ‘erosie door wind’ [1913; Baale], ‘waardevermeerdering van geld’ [1929; Kramers II].
In de oudste betekenis rechtstreeks of via het Engels ontleend aan Duits Deflation ‘afvoeren door de wind’ [1891], een neologisme, in januari 1891 geïntroduceerd door de geoloog Johannes Walther, gevormd uit Latijn dē- ‘weg ... van’, zie → de-, en het werkwoord flāre ‘waaien’ (verwant met → blazen), naar analogie van een andere geologische term ablatie ‘erosie’.
Vrijwel meteen na de introductie van het woord werd het in het Duits opgevat als het tegenovergestelde van Inflation, zie → inflatie, van oorsprong een Engels woord inflation dat ‘opblazing’ betekende [1340; OED] en sinds 1860 ‘waardevermindering van geld’. In augustus 1891 wordt het woord deflation dan ook in het Engels geïntroduceerd in de betekenis ‘het leeglopen van iets dat opgeblazen is’. In 1920, na de Eerste Wereldoorlog en de daaropvolgende monetaire crisis, krijgt Engels deflation voor het eerst een economische betekenis, die sinds 1922 ook voorkomt in het Frans. Het Nederlands heeft deze betekenis, wellicht via het Frans, ontleend aan het Engels. De oorspr. betekenis wordt nog gebruikt in de geologie.
deflatoir bn. ‘verband houdend met deflatie’. Nnl. deflatoir ‘id.’ [1950; WNT Aanv.]. In het Nederlands gevormd als afleiding van deflatie.

EWN: deflatie zn. 'waardevermeerdering van geld' (1913)
ANTEDATERING: deflatie 'erosie door wind' in: verweering- en transport-werkingen (denudatie, desquamatie, deflatie) [1894; TAG, 148]
Later: inkrimping der circulatie … zoogen. deflatie (betreft geldverkeer) [1918; De Sumatra post (KB) 15/1] (EWN: 1929); Ten einde tot deflatie te geraken [1919; NRC 2/2]
EWN: ♦ deflatoir bn. 'verband houdend met deflatie' (1950)
ANTEDATERING: De deflatoire effecten [1946; Het vrije volk (KB) 18/9]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deflatie [waardevermeerdering van geld] {1926-1950} < frans déflation, gevormd met latijn de [weg, neer], naar analogie van inflatie, dus: ‘neerblazing’ tegenover ‘opblazing’ (vgl. inflatie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

deflasie s.nw.
1. (geologie) Erosie van die aardoppervlak deur wind. 2. (geldwese) Verhoging van geldwaarde.
Uit Eng. deflation (1893 in bet. 1, 1920 in bet. 2).
D. Deflation, Fr. déflation, Ndl. deflatie (1926 - 1950).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

deflatie ‘waardevermeerdering van geld’ -> Indonesisch déflasi ‘waardevermeerdering van geld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

deflatie waardevermeerdering van geld 1929 [KWT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut