Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

defileren - (in smalle formatie voorbijtrekken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

defilé zn. ‘parade’
Nnl. defilez ‘nauwe doorgang’ [1744; WNT Aanv.], defilé ‘nauwe doorgang waar troepen alleen in een smalle rij doorheen kunnen trekken’ [1847; Kramers], ‘het in parade optrekken’ [1886; Kramers], ‘stoet’ [1929; Koenen], ‘parade’ [1937; WNT veteraan].
Ontleend aan Frans défilé ‘smalle doorgang’ [1643; Rey], ‘het uit een bredere formatie stappen om door een smalle doorgang aan het vuur van de vijand te ontsnappen’ [1669; TLF], ‘het in colonne voorbijtrekken’ [1827; TLF], ‘opeenvolging, stoet’ [1842; TLF, Rey], dat afgeleid is van het werkwoord défiler ‘in een rij lopen’ [1648; Rey], gevormd uit → de- ‘uit’ met Frans file ‘rij, gelid’, zie → file 1, < Latijn fīlum ‘draad, lijn’.
De betekenisontwikkeling in het Nederlands heeft plaatsgevonden onder invloed van het Frans.
defileren ww. ‘in een stoet voorbijtrekken’. Nnl. defileerende ‘in een (militaire) parade voorbijtrekkende’ [1681; WNT Aanv.]. Ontleend aan Frans défiler ‘id.’, een afleiding van défilé.

EWN: defilé zn. 'parade' (1744)
ANTEDATERING: vnnl. de menigte van defilez 'de grote hoeveelheid nauwe doorgangen' [1677; Oprechte Haerlemsche courant (KB) 20/4]
EWN: ♦ defileren ww. 'in een stoet voorbijtrekken' (1681)
ANTEDATERING: De Spaansche Ruyterye … defileerde 'de Spaanse ruiterij vormde een stoet' [1654; Attaque, 4]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

defileren [in gelederen voorbijtrekken] {1824} < frans défiler [uiteenrafelen in draden, een groep in gelederen laten wegtrekken], van dé- [van … weg] + fil [vezel, draad], file [lijn, gelid] < latijn filum [draad, lijn] → previliën.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

defileer ww.
Verby marsjeer in smal geledere.
Uit Ndl. defileren (1681).
Ndl. defileren uit Fr. défiler 'uiteenrafel in drade, in geledere laat wegtrek', 'n afleiding met dé- 'van, weg' van fil 'vesel, draad', file 'lyn, gelid', met lg. uit Latyn filum 'draad, lyn'.
D. defilieren (18de eeu), Eng. defile, Sp. desfilar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

defileren ‘in smalle formatie voorbijtrekken’ -> Javaans dheblèren ‘in smalle formatie voorbijtrekken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

defileren in smalle formatie voorbijtrekken 1681 [Aanv WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut