Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

defect - (kapot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

defect bn. ‘kapot’
Vnnl. defect, defectijf, defectueus “gebrekkelijk” [1663; Meijer].
Ontleend aan Latijn dēfectus ‘gebrekkig, zwak, uitgeput’, verl.deelw. van dēficere ‘zich losmaken, afvallig worden, in de steek laten’, dat is gevormd uit dē- ‘weg van’ (zie → de-) en het werkwoord facere ‘doen’ (verwant met → doen, zie ook → feit).
defect zn. ‘gebrek’. Vnnl. defect ‘gebrek, ontbreking’ [1650; Hofman]. Ontleend aan Latijn dēfectum, de gesubstantiveerde onzijdige vorm van het verl.deelw. Latijn dēfectus. Invloed van Duits Defekt [begin 16e eeuw; Pfeifer] is niet uitgesloten.

EWN: defect bn. 'kapot' (1663)
ANTEDATERING: door dien seekere appellatie … verklaart is defect (spelling niet zeker) 'doordat een bepaald hoger beroep (door procedurefouten) ongeldig verklaard is' [1596; Register, 20]
Later: een oud defect Boek 'een oud kapot boek' [1654; Vanden Ende, ¶¶2v]
EWN: ♦ defect zn. 'gebrek' (1650)
ANTEDATERING: defect groot bouen maten 'mateloos groot gebrek' [1528-30; Van Doesborch 2, 173]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

defect [beschadigd] {1650, als zn. 1548} < latijn defectum, verl. deelw. van deficere [afvallig worden, te kort schieten, bezwijken], van de [van … weg] + facere (in samenstellingen -ficere) [maken, doen].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

defek b.nw., s.nw.
1. Uit orde, beskadig, of gebrek, beskadiging. 2. Onvoltallig, onvolledig, of tekort, onvolledigheid.
As b.nw. uit Ndl. defect (1650 in bet. 1) of dalk Eng. defect (1600 in bet. 1). As s.nw. uit Ndl. defect (1548 in bet. 1, 1907 - 1914 in bet. 2) of dalk Eng. defect (1420 in bet. 1 en 2).
D. Defekt (16de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

befek: (dial. en plat v.) defek, veral as b.nw. “defektief, nie-bruikbaar, uit orde”; uit Ndl. of Eng. defect (in albei as s.nw. en b.nw., terwyl Fr. blb. as b.nw. en as s.nw. ondersk. net defectif en defection ken), hou verb. m. Lat. defectus (s.nw.) “tekort(koming)”.

Thematische woordenboeken

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Defect (< Lat. defectus = tekort; < deficere = te kort schieten). Tekort.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

defect ‘beschadigd’ -> Petjoh defèk ‘beschadigd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

defect beschadigd 1650 [MEY] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut