Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

defaitisme - (geestesinstelling waarbij men bij voorbaat de strijd opgeeft)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

defaitisme zn. ‘geestesinstelling waarbij men bij voorbaat de strijd opgeeft’
Nnl. defaitisme ‘het mentaal opgeven van de strijd’ [1924; Sijs 2001], ‘streven naar vrede ten koste van alles, desnoods de totale nederlaag’ [1931; Kramers II].
Ontleend aan Frans défaitisme ‘het mentaal opgeven van de strijd’ [1915; Rey], leenvertaling van Russisch porajenčestvo ‘id.’, een afleiding van poraženije ‘nederlaag’. Het Franse woord is gevormd op basis van het zn. défaite ‘het zich ontdoen van, de nederlaag’ [13e eeuw; Rey], verzelfstandigd verl.deelw. van défaire ‘veranderen, te niet doen, overwinnen’, eerder desfaire [1080; Rey] < middeleeuws Latijn disfacere ‘te niet doen, bederven’, gevormd uit dis- ‘weg-, ont-’ en het werkwoord facere ‘maken’, verwant met → doen (en zie ook → feit).
Het woord is in de Eerste Wereldoorlog voor het eerst gebruikt door de Russische schrijver Grigori Aleksinski (1879-1965) om de tegenstanders van de oorlogsinspanning aan te duiden. Tot die kring van tegenstanders behoorde Trotski, en diens vijand Lenin gebruikte het begrip defaitist vaak genoeg om het woord een brede verspreiding in Europa te geven. De betekenis kreeg allengs een minder politieke en een meer psychologische lading.

EWN: defaitisme zn. 'geestesinstelling waarbij men bij voorbaat de strijd opgeeft' (1924*)
ANTEDATERING: hem geleid en aangemoedigd … in het défaitisme [1917; NRC 14/12]
{* In de gedrukte versie van het EWN is het blokje met de geschiedenis in het Nederlands weggevallen. Dus ook de oudste datering: Nnl. defaitisme 'het mentaal opgeven van de strijd' [1924; Sijs 2001].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

defaitisme [moedeloosheid] {1901-1925} < frans défaitisme, een 20e-eeuws woord, van défaite [uitvlucht, nederlaag, oorspr. het niet handelen], van défaire, van dé- [weg van] + faire < latijn facere [maken, doen].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

défaitisme s.nw.
Mening dat vrede tot elke prys verkieslik is bo konfrontasie.
Uit Ndl. defaitisme (1924).
Ndl. defaitisme uit Fr. défaitisme, 'n afleiding van défaite 'uitvlug, nederlaag', oorspr. 'nie handel nie', met lg. van défaire, 'n afleiding met dé- 'af, weg, nie' van faire 'maak, doen'.
D. Defätismus (20ste eeu), Eng. defeatism (1918), It. disfattismo.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

defaitisme (Frans défaitisme)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

defaitisme ‘moedeloosheid’ -> Indonesisch défaitisme ‘moedeloosheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

defaitisme moedeloosheid 1924 [GVD] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal