Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deel - (plank, vloer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

deel 2 zn. ‘plank, planken vloer, dorsvloer; hooizolder’
Mnl. dele, deel ‘plank’ [1308-46; MNW], ‘vloer’ [1400-34; MNW], ‘wand, muur’ [ca. 1410; MNHWS]; vnnl. deelen (mv.) ‘planken vloer’ [1550; WNT], deelen (mv.) ‘planken’ [1596; WNT], deel ‘vloer’ [1605; WNT], deel ‘dorsvloer’ [1669; WNT].
Dit woord is in de verschillende fasen van de Germaanse talen uitgebreid in vormen en betekenissen vertegenwoordigd. Mnl. dele, deel ‘plank, vloer, dorsvloer, wand, muur’; os. thili ‘vloer(plank)’ (mnd., nnd. dele ‘plank, vloer, bodem’), ohd. thil(o) ‘plank, planken wand, planken vloer’ (mhd. dil(le) ‘plank(en wand), scheepswand, scheepsdek, planken vloer’, nhd. Diele ‘vloer, vloerplank, voorkamer’ (voor ‘dorsvloer’ heeft hd. Tenne)); Het Fries heeft de inheemse vorm telle ‘dorsvloer’ naast dealje ‘plank, planken vloer’ uit het Nederlands; oe. ðel ‘plank’, ne. theal ‘plank’ (verouderd), voorts oe. ðille ‘plank(en vloer)’ (14e eeuw thill(e) en ne. thill ‘staak, disselboom’, ne. thill ‘dunne laag klei onder kolenlaag’); ca. 1400 uit het mnd. of mnl. ontleend dele (ne. deal ‘plank, plankhout’); on. þil(i) ‘plank(en wand)’, þilja ‘plank(en scheepsbodem)’, mv. ‘scheepsdek’ en þel ‘bodem, grond’ (nzw. tilja ‘vloer(plank), toneel’); < pgm. * þeljō-, þil-.
Buiten het Germaans nog Litouws tìlės ‘planken vloer in boot’, Russisch tlo ‘bodem’ < pie * tel- ‘plank’. Andere verbindingen buiten het Germaans als Latijn tellús ‘aarde’, Sanskrit talam ‘aarde, vlakte’, Oudpruisisch talus ‘vloer’ zijn onwaarschijnlijk, omdat de grondbetekenis van *tel- toch wel ‘plank’ is. Grieks tēlía ‘plank, speelbord’, dat in dit verband ook wel wordt genoemd, is een leenwoord, on. þollr ‘dennenboom’ is wrsch. een substraatwoord.
In het noordoostelijk Middelnederlands komt als Friese vorm voor til(le) ‘houten brug’ [1456; MNW], en ‘zolder’ [ca. 1420; MNW], nnl. (met name Noord-Hollands) til ‘bruggetje, planken zoldering’, ook als tweede deel in duiventil, zie → til. De verhouding tussen deel en til is echter niet duidelijk; hetzelfde geldt voor andere details, zoals betekenisontwikkeling.
Lit.: E. Nörrenberg (1938) ‘Die Herkunft von mnd. dele, f., in’, in: Westfälische Forschungen 1, 326-57; J.F. Bense (1939) A Dictionary of the Low-Dutch element in the English vocabulary, Den Haag

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deel2* [plank, vloer] {dele, deel 1343-1344} nl. dial. ook dael, del, oudsaksisch thili [planken vloer], oudhoogduits dili [plank, vloer], oudengels þille, þel [plank], oudnoors þili, þil [plank, doft], þel [grond]; buiten het germ. oudpruisisch talus [vloer], litouws tilės [planken vloer in boot], oudkerkslavisch tĭlo [bodem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

deel 1 znw. v. ‘plank, dorsvloer’, mnl. dēle v. ‘plank, vloer’, ohd. dili o. ‘plank, vloer of wand van planken’, os. thili v. ‘plankenvloer’, on. þili, þil o., waarnaast þel ‘grond, bodem’. — oi. talam ‘vlakte, voetzool’, lat. tellus (> *teln-) ‘aarde’, osl. tŭlo ‘vloer’, oiers talam (< *talmon) ‘aarde’, lit. tìles ‘planken vloer in een boot’, opr. talus ‘vloer’ (IEW 1061). — > ne. dele, deale (sedert 1402), vgl. Bense 73.

Om te verklaren, dat naast elkaar de bett. ‘plank’ en ‘vloer’ optreden, moet men niet zijn toevlucht nemen tot constructies als ‘vastgestampte leemvloer’ > ‘plankenvloer’ > ‘plank’, maar beide afleiden uit de techniek van de oude huisbouw. Want al overheerst in het idg. de betekenis ‘vloer’, zo staan daarnaast toch ook woorden als gr. tēlíā ‘plank, bord’ en lit. tìltas ‘brug’. Daarom kan men eerder verbinden met on. þǫll v. ‘jonge denneboom’ en lat. taleā ‘stek’, osl. talija ‘tak’ en dan uitgaan van de grondsituatie van het bosbedrijf, waaruit het hout voor balken en planken gewonnen werd. Daar bij het maken van de huiswand ook een bestrijking met leem voorkwam, maar vooral ook daar de vloer van de woning uit vastgestampte leem bestond, werd uit dezelfde wt. ook de benaming daarvoor gevormd. — Voor de nevenvorm germ. *þiljō zie: til 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

deel I (plank, dorschvloer), mnl. dēle v; “plank, vloer”. = ohd. dili o. (waarnaast dil, dilo m., dilla v.) “plank, vloer of wand van planken” (nhd. diele v.), os. thili v. “plankenvloer”, on. þili (o., ook þil) “planken vloer of wand”. Het Ags, heeft ðille v. “vloer” = owfri. tille v. “bruggetje”, ohd. dilla v. (zie boven), on. þilja v. “plank in den bodem van een boot, roeibank”; een a-st. is ags. ðël o. “plank”. Germ. þel-, waaruit þil- voor j, i, uit idg. tel-. Verwanten uit andere talen zijn o.a. ier. talam “aarde”, lat. tellûs “id “, gr. tēlía “verkeerbord”, opr. talus “vloer”, oi. tala- “vlakte, vlakke hand, voetzool”. Uit het Balt.-Slav. hierbij nog eenige woorden met i resp. ĭ (reductie-vocaal van e), o.a. lit. tìlės mv. “planken bodem van een boot”, obg. tĭlo “bodem”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

deel 1 v. (plank), Mnl. dele, Os. thili + Ohd. dilo (Mhd dil, Nhd. diele), Ags. đill (Eng. thill), On. þili (Zw. tilja, De. tilje) + Skr. talam = bodem, Lat. tellus = aardbodem, Oier. talam = aarde, Lit. tìle = plank, Osl. tĭlo = bodem. Eng. deal komt uit Ndl.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

deel ‘plank, vloer’ -> Engels deal ‘grenen of vuren plank’; Frans dialect delle ‘plank; stok, kinderspel’; Portugees dala ‘keukentafel met een blad, ingelegd met steentjes of keramiek’ ; Bretons dar ‘tegel’ ; Esperanto dilo ‘houten plankje dat meer dan 4 cm dik is’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

deel* plank, vloer 1343-1344 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut