Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deel - (gedeelte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

deel 1 zn. ‘part, stuk’
Onl. deile (mv.) ‘gedeelten’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. dele, deel [1237; CG I, 32].
Os. dēl (mnd. de(i)l, nzw. del); ohd. teil (nhd. Teil); ofri. dēl (nfri. diel, deel); oe. dǣl (ne. deal ‘toedeling’) naast (zonder umlaut) oe. dāl (ne. dole ‘bedeling, gift’); got. dails; < pgm. *daila-, daili-. Daarnaast ohd. teila ‘verdeling’; on. deila ‘twist, tweespalt’; got. daila ‘deelname’; < pgm. *dailō(n).
Vaak wordt verwantschap met Oudkerkslavisch dělŭ ‘deel’ gesuggereerd en/of verbinding met Grieks daíesthai ‘verdelen’ < pie. *deh2-i-. Dit geeft echter het probleem dat pie. *d in pgm. *t geeft. NEW overweegt daarom dat deel een substraatwoord is.
deels bw. ‘gedeeltelijk, voor een deel’. Nnl. eerst tweevoudig, als verbinding tussen twee zinsdelen, bijv. deels als Geneesheer, deels als Zedenkundige [1793; WNT zedenkundige], daarna ook enkelvoudig voorkomend, bijv. de muur (was) deels weggeslagen [1876; WNT wegslaan]. Afleiding van deel met bijwoordelijke → -s.
Lit.: Mayrhofer 1986, 717, onder dā-4

EWN: ♦ deels bw. 'gedeeltelijk, voor een deel' (1793)
ANTEDATERING: mnl. die deels aldair vertuynt worden ende oock deels in den wech bi Sabelspoirte geleit worden '(twijgen, takken rijshout) die daar deels als omheining gebruikt worden en ook deels in de weg bij S. gelegd worden' [1428; iMNW vertunen]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deel1* [gedeelte] {oudnederlands deil 901-1000, middelnederlands deel, dele} oudsaksisch dēl, oudhoogduits teil, oudengels dæl, dal, gotisch dails; buiten het germ. oudkerkslavisch dělŭ.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

deel 2 znw. o. ‘gedeelte’, mnl. deel, onfrank. deil, os. dēl, ohd. teil, oe. dæl m. (ne. deal) en dāl o. (ne. dole), got. dails m. < germ. *ðaila-, *ðaili-; daarnaast ook *ðailō-, vgl. ohd. teila v. ‘deel, verdeling’, on. deila v. ‘twist’, got. daila v. ‘deel’. — osl. dělŭ ‘deel’, děliti ‘delen’ (volgens Wood MLN 21, 1906, 39 niet < *dhoilo, maar uit *dēlo bij gr. dēléomai ‘vernielen’; dat zou verwantschap met het germ. woord uitsluiten, waarom Pedersen KZ 38, 1905, 394 al gedacht had aan ontl. uit het slav.). — Zou het woord dus alleen germ. blijken te zijn, dan kan men herkomst uit een substraattaal vermoeden. — Zie ook: delen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

deel II (gedeelte), o., mnl. deel o. = onfr. deil m., ohd. (nhd.) teil m. o., os. dêl m., ofri. dêl m. o., ags. dœ̂l m. (eng. deal), dâl o. (eng. dole), got. dails v. “deel”, germ. *ðaila-, *ðaili-, waarnaast nog *ðailô(n)- in ohd. teila v. “deel, verdeeling”, on. deila v. “twist”, got. daila v. “deel, mina”. Vgl. obg. dělŭ “deel”, dat òf met germ. *ðaila- op idg. *dhoilo- teruggaat òf uit ’t Got. ontleend is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

deel 2 o. (gedeelte), Mnl. deel, Os. dêl, Onfra. deil + Ohd. teil (Mhd. en Nhd. id.), Ags. dál (Eng. deal, dole), Ofri. dél, On. deila (Zw. & De. del), Go. dails + Osl. dělŭ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

deil (zn.) gedeelte; Aajdnederlands deil <901-1000>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

deel ‘gedeelte’ -> Deens del ‘gedeelte’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors del ‘gedeelte’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds del ‘gedeelte’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † delle ‘stuk, brok’; Javaans dhil ‘gedeelte; boekdeel’; Makassaars dêlé ‘deel van een film’; Negerhollands deel ‘gedeelte, part’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

deel* gedeelte 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

378. De brutalen hebben (of een brutaal mensch heeft) het derde deel van de (of de halve) wereld.

Deze meening wordt in de 16de eeuw uitgedrukt door d'Onschamelen hebben de twee derdendeelen van de Werelt (Coornhert, Maeghdekens Schole, fol. 395 r); Campen 114: Die onschamelen hebben t'dordendeel van der werelt (evenzoo Spreuken, 55); Sart. III, 2, 41: De onbeschaemde hebben het derdendeel des werelts; III, 9, 8: Stoute lieden hebben het derde deel van de Wereldt; Coster, 512, vs. 475:

 Dan moocht ghy gaen ghestickt, gheprickt en gheperelt:
 Want onbeschaemde luy, hebbe toch het derdendeel van de werelt.

Tuinman I, 69: De onbeschaamde menschen hebben het derde deel van de wereld; II, 102; Harreb. I, 123: III, 154: Assurante (of Onbeschaamde) menschen hebben het derde deel (of de helft) van de wereld; Ndl. Wdb. X, 1029: Onbeschaamde menschen hebben het derde deel der wereld in pacht; Loosjes, Bronkh. 3, 159: Vrypostige Lieden hebben een derde deel der wereld; Nest, 27: Hij vond dat een brutaal mensch de halve wereld heeft; De Arbeid, 8 April 1914, p. 4 k. 3: Hoe brutaler hoe liever. Een brutaal mensch heeft immers de halve wereld! 6 Maart 1915, p. 4 k. 4: Wat anderen niet mogen dat mag ‘Het Volk’. Daarvoor huldigen zij aan dien kant de spreuk: ‘De brutalen hebben de halve wereld’; Handelsblad, 17 Aug. 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 3: Ook hier werd echter weer bewaarheid dat een brutaal mensch de halve wereld heeft; fri. de drysten hawwe de wrâld.

1779. Part noch deel aan iets hebben,

d.w.z. niet in iets deelen, geen deelgenoot in iets zijn; geen schuld aan iets hebben; mnl. part noch deel, part of deel (of delinghe) hebben ane iet. Het znw. part, zuidnl. paart, is ontleend aan het fr. part (deelVoor verbindingen van een uitheemsch synoniem met een eigen woord zie Tijdschrift, XXIII, 25; XXXI, 235; Salverda de Grave, Franse Woorden, bl. 30 en no. 1656.). In de 16de eeuw ook part (paert) en deel hebben met iemand of van, aan iets (Plantijn; vgl. Rutten, 167 a: paart-en-deel, aandeel; Tuerlinckx, 490). Zie verder R. Visscher, Sinnep. 108: Geen part en deel hebben aan iets; Font. 93 r; Mouf. 30: Part noch deel hebben van iets; Vierl. 72: Paert ende portije hebben met iem.; bl. 78: Paert ende deel hebben in iets; Ndl. Wdb. XII, 531-532. Ook kende men in de 17de eeuw parten en deelen in den zin van ‘partiri’ (Winschooten, 185). Vgl. voor de 18de eeuw Halma, 497: Ik wil aan die zaak part nog deel hebben, je ne veux pas avoir de part à cette affaire ou dans cette affaire; je ne veux pas m'en mêler; fri. ik ha dêr part noch deel oan; fr. avoir ni part ni quart à qqch; eng. neither part nor lot; neither art nor part; no part or share (Prick).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut