Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

decor - (toneeltoerusting, achtergrond; versiering op aardewerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

decor zn. ‘toneeltoerusting, achtergrond; versiering op aardewerk’
Nnl. décors (mv.) ‘toneeltoerusting’ [1889; WNT plank I], decor ‘achtergrond, entourage’ [1904; WNT verheffen], décor ‘versiering op aardewerk’ [1905 [1905; WNT vuur I].
Ontleend aan Frans décor, eerder ook decore ‘wat betaamt’ [1530; Rey], ‘versiering’ [1603; Rey] (het woord is zeldzaam tot 1788) < Latijn decus, genitief decoris ‘sieraad’ of < Latijn decor ‘fatsoen’, zie → decorum. Blijkens de eerste attestaties in het Frans worden de Latijnse woorden decus en decor al vroeg door elkaar gehaald. Het is ook mogelijk dat Frans décor een afleiding is van décorer ‘versieren’, zie → decoreren.

EWN: decor zn. 'toneeltoerusting, achtergrond; versiering op aardewerk' (1889)
ANTEDATERING: tooneelschikking, kostumen en "decors" [1853; Eendragt, 76] (1889)
Later: décor 'soort wandbekleding' in: uitmuntende DÉCORS voor salons, eetkamers, tuinkamers [1855; NRC 16/4]; PORSELEINEN THEESERVIEZEN in verschillende décors [1860; Leydse courant (KB) 17/12] (EWN: 1905)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

decor [toneeltoerusting] {1901-1925} < frans décor < latijn decor [gratie, schoonheid, tooi] (vgl. decoreren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

dekor s.nw.
Toneelinkleding om die plek van handeling voor te stel.
Uit Ndl. decor (1886).
Ndl. decor uit Fr. décor 'grasie, skoonheid', of 'n afleiding van decoreren (1791) 'versier', met lg. uit Fr. décorer uit Latyn decorare 'optooi, versier' van decus 'sieraad, bekoorlikheid' van decet 'aanvallig'.
D. Dekor (16de eeu), Eng. decor (1897).
Vgl. dekorasie, dekorum.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

decor (Frans décor)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

decor ‘toneeltoerusting’ -> Indonesisch dékor ‘toneeltoerusting’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

decor toneeltoerusting 1886 [KKU] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut