Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

decimaal - (cijfer achter de komma); (tiendelig, tientallig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

decimaal zn. ‘cijfer achter de komma’; bn. ‘tiendelig, tientallig’
Nnl. bn. decimaal ‘tientallig’ [1790; WNT zeeman], zn. mv. decimalen ‘cijfers achter de komma’ [1796; WNT repetent I]. Eerder al het bn. decimabel ‘aan tienden (belasting) onderhevig’ [1762; Stall. I, 327].
Ontleend aan Frans décimal [eind 13e eeuw; Rey] < Laatlatijn decimalis ‘betrekking hebbend op tienden’, een afleiding van Latijn decimus ‘tiende (deel)’, zie → deci-.
Het Franse woord werd pas in de 18e eeuw door de Académie Française erkend, maar was al eerder bekend. Het kwam in de late Middeleeuwen voor in de betekenis ‘onderworpen aan de tienden’ in de belastingbetekenis, later als rekenkundige term. Het is in het begin van de 16e eeuw (Rey) opnieuw als geleerd woord aan het Latijn ontleend.

EWN: decimaal zn. 'cijfer achter de komma' (1790)
ANTEDATERING: vnnl. decimale clocke 'luidklok bekostigd door degene die de tienden int' [1645; Analectes 6, 298]
Later: "decimaal"-reekening 'rekenen met tiendelige breuken' [1740; Stammetz/Labordus]; De decimalen, … de tellende getallen van eene fractie ('de tellers van een breuk') [1760; Le Page, 103] (EWN: 1796)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

decimaal [tiendelig] {1824} < frans décimal [idem] < middeleeuws latijn decimalis [betrekking hebben op een tiende deel], van decima [tiende deel], eig. vr. van decimus [tiende], van decem [tien].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

decimaal (Frans décimal)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Decimaal (< Lat. decem = tien). Adj. 1) Tientallig. Decimaal talstelsel = tientallig stelsel. 2) Tiendelig. Tiendelig getal is verzamelnaam voor: natuurlijk getal, in het tientallig stelsel uitgedrukt; echte breuk, waarvan de noemer een macht van tien is; gemengd getal, uit deze twee samengesteld.
Opm. Het adj. decimaal wordt vaak gebruikt om aan te geven, dat een tiendelig getal in positieschrijfwijze geschreven is. Men zegt dan b.v. dat 47,23 decimaal geschreven is. Dit spraakgebruik is verwarrend. Tussen talstelsel en cijferschrift bestaat geen enkel wiskundig verband. Een decimaal getal behoeft niet positioneel geschreven te zijn; b.v. 3/10 of XII; een positioneel geschreven getal behoeft niet decimaal uitgedrukt te zijn; b.v. de sexagesimale getallen van de Babylonische wiskunde.
Subst. Cijfer achter de komma van een positioneel geschreven decimale breuk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

decimaal ‘tiendelig’ -> Indonesisch désimal ‘tiendelig’; Papiaments desimal ‘tiendelig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

decimaal tiendelig 1824 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut