Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

decaan - (faculteitsvoorzitter; persoon die leerlingen of studenten adviseert)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

decaan zn. ‘faculteitsvoorzitter; persoon die leerlingen of studenten adviseert’
Nnl. decanus ‘universitaire dignitaris’ [1749; WNT vroedmeester] (Kramer 1912 heeft nog decanus), decaan ‘faculteitsvoorzitter’ [1912; Kuiper], dekaan ‘faculteitsvoorzitter’ [1914; Dale], decaan ‘persoon die op een middelbare school of aan een universiteit leerlingen of studenten bijstand verleent en advies geeft’ [1976; Dale], eerder in de samenstellingen schooldecaan [1963; WNT Aanv. school] en studentendecaan [1963; WNT Aanv. student].
Ontleend aan Laatlatijn decānus ‘hoofdman van tien (decem)’ [ca. 400; OED dean] < Grieks dekānós ‘bevelhebber van tien’, bij het telwoord deka ‘tien’ (zie → tien). Het Griekse woord is wrsch. een leenvertaling van Latijn decurio ‘hoofdman van tien’ en het Laatlatijn heeft de vorm decānus dan op zijn beurt weer aan het Grieks ontleend. De betekenis ‘hoofdman van tien’ werd in de nadagen van het Romeinse Rijk gegeneraliseerd tot ‘hoofdman’ en kreeg daarna de burgerlijke betekenis ‘belangrijk ambtenaar’. Uit het middeleeuws of Neolatijn is het in het Nieuwnederlands als ‘belangrijk ambtenaar, dignitaris aan de universiteit’ ontleend en later gespecialiseerd tot ‘faculteitsvoorzitter’.
De ontlening is niet via het Frans gelopen: dat heeft wel decanat ‘decanaat’, maar Laatlatijn decānus werd Oudfrans deien, dien (Nieuwfrans doyen), ontleend in het me. als deen, den (ne. dean). Ook Duits Dekan wijst op ontlening aan middeleeuws of Neolatijn. Hetzelfde woord is eerder ontleend als → deken.

EWN: decaan zn. 'faculteitsvoorzitter; persoon die leerlingen of studenten adviseert' (1749)
ANTEDATERING: Vnnl. decanus 'faculteitsvoorzitter' in: by den Rector ende Decanus van yeder Faculteyt [1631; Wetten ende statuten, D4v]
Later: decaan 'zekere kerkelijke functionaris' in: den Gheestelijcken staet der Bisschoppen, Decanen, … [1647; Van Meeteren, 490ra]; dekaan der philosophische faculteit [1844; Dagblad van 's Gravenhage (KB) 8/3] (EWN: 1912)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

decaan [voorzitter van faculteit] {1832} < latijn decanus [hoofdman over tien] < grieks dekanos [bevelhebber], van deka [tien] (vgl. deca-), oorspr. leider van tien, bv. schepen → deken2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dekaan znw. m., late en geleerde ontlening van lat. decānus, dat reeds eerder als deken ontleend was (zie: deken 2).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dekaan, hd. dekan m. is een jongere geleerde ontleening. Meng. dên (eng. dean) uit ofr. deien (fr. doyen) en dit uit decânus.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

dekaan s.nw.
Voorsitter of hoof van 'n universiteitsfakulteit.
Uit Ndl. decaan (1749).
Ndl. decaan uit Latyn decanus 'hoofman oor tien (monnike in 'n klooster)' uit Grieks dekanos 'bevelhebber', met lg. van deka 'tien', oorspr. 'leier van tien'.
D. Dekan, Eng. dean (1577), It. decano, Sp. decano.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dekaan: “hoof v. fakulteit v. universiteit”; Ndl. decaan/dekaan, laat geleerde ontln. aan Ll. decanus, “vernaamste/hoof v. tien” (monnike in klooster), ’n vroeër ontln. v. dies. wd. is deken (q.v.); in Eng. dean; dekaan en deken hou verb. m. Lat. decem, m. Ndl./Afr. tien en Eng. ten.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

decaan (Latijn decanus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

decaan ‘voorzitter van faculteit’ -> Indonesisch dékan ‘voorzitter van faculteit’; Papiaments dekan ‘voorzitter van faculteit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

decaan voorzitter van faculteit 1832 [WEI] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut