Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dat - (voornaamwoord, voegwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dat vnw., vgw.
Onl. that (vnw.) ‘dat’, (vgw.) ‘opdat’ [10e eeuw; W.Ps.], mnl. dat (vgw.) ‘dat, opdat, omdat’ [1240; Bern.].
Dat is de nominatief/accusatief ev. onzijdig van het aanwijzend voornaamwoord die, in alle West-Germaanse talen al vroeg ook als voegwoord gebruikt. Alleen het Gotisch heeft het voornaamwoord þata naast het voegwoord þatei (< *þata-ei), terwijl het Duits vanaf de 16e eeuw (kunstmatig) verschil in spelling kent tussen het voornaamwoord das en het vw. daß (volgens de nieuwe spelling dass).
Os. that, ohd. daz (nhd. das (vnw.), dass (vgw.)), ofri. thet (nfri. dat), oe. ðæt (ne. that), on. þat; < pgm. *þat-a.
Verwant met het Latijnse voornaamwoord is-tud, Grieks , Oudkerkslavisch to, Sanskrit tád, < pie. *tod, nominatief/accusatief enkelvoud onzijdig van *to-. Zie ook → d(i)e.
Voor een eufemistisch gebruik zie → dattum.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dat* [vnw.] {oudnederlands that 901-1000, middelnederlands dat} oudsaksisch that, oudhoogduits daz, oudfries thet, oudengels ðæt, oudnoors þat, gotisch þata; buiten het germ. grieks to [dat, het], oudindisch tad, van dezelfde stam als de.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dat voegw. vnw., mnl. dat, onfrank. os. that, ohd. daz, ofri. thet, oe. ðæt (ne. that), on. þat, got. þata. — gr. (< *tod), lat. is-tud, oi. tad, osl. to. — Vorm van 1. en 4. nv. o. enkv. van pronominaal-stam *to (zie: de).

De gotische vorm wijkt af van de andere germ. door de toevoeging van een partikel ō(m).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dat voegw. resp.vnw, mnl. De laatste functie is de oudste. Met ndl. dat, onfr. that, ohd. daʒ (nhd. das, dass), os. that, ofri. thet, ags. ðæt (eng. that), on. (reeds oern.) þat, got. þata vgl. lat. is-tud, gr. , obg. to, oi. tád, idg. *tó-d, nom.-acc. enk. o. van den stam *to- (zie de I). De w.-en ngerm. vormen kunnen niet met den got. identisch zijn, die uit idg. *tod-ôn, ook wel uit *tod-ô wordt verklaard (vgl. met lange vocaal got. hwarjato-h). Zij gaan op onverlengd idg. *tod (?) of wellicht op *tod-o (vgl. ier. ed “het”, ced “welk?”, beide leneerend!) terug, wegens den oern. vorm bezwaarlijk op *tod-om. Als voegwoord komen reeds de onfr. ohd. os. ofri. ags. vormen voor (got. alleen þat-ei).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dat. De emphatische vorm (van het vnw.) datte is reeds mnl. Ook mnd. Wellicht opgekomen onder invloed van ditte (zie dit en dit Suppl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dat 2 lidw., hetzelfde als het voorgaande, toonloos gebruikt (z. het).

dat 3 voegw., hetzelfde als dat 1: in alle Idg. talen worden demonstr. of interr. als relat. en in ’t onz. als voegw. gebruikt.

dat 1 voornw., Mnl. dat, Onfra., Os. that + Ohd. das (Mhd. id., Nhd. das), Ags. đæt (Eng. that), Ofri. thet, On. þat (Zw. en De. det), Go. þata + Skr. tad, Gr. [Grieks] (d.i. *tod), Lat. tud in is-tud, Lit. ta, Ru. to: is Nom. of Acc. onz. van den Idg. wrt. to, Germ. wrt. tha = hij, die; — de t (Idg. d) is naamvalsuitgang.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2lat voegw. (geselstaal)
Dat.
Vervorm uit dat. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dat ‘aanwijzend voornaamwoord’ -> Duits dialect det ‘aanwijzend voornaamwoord, lidwoord’; Zweeds datt ‘aanwijzend voornaamwoord’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands da, dā, dat ‘aanwijzend voornaamwoord’; Berbice-Nederlands dati ‘aanwijzend voornaamwoord’; Sranantongo dati ‘aanwijzend voornaamwoord’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) da ‘aanwijzend voornaamwoord’.

dat ‘onderschikkend voegwoord’ -> Negerhollands dat ‘onderschikkend voegwoord’; Sranantongo dati ‘onderschikkend voegwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dat* aanwijzend voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

dat* onderschikkend voegwoord 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

430. Bij dit en (bij) dat!

d.w.z. bij God, bij den donder! of eene dergelijke verwensching, die men vermijden wil. Het gebruik van dit en dat in dezen zin is sedert de 17de eeuw bekend. Zie Ndl. Wdb. III, 2308; 2480, waar o.a. wordt aangehaald Meulemans, Timon. Misanthr. 18: Ick sweir bij dit en dat, by desen ende genen, ken wil niet gaen; W. Leevend VI, 273: Waerom dit en die schryf je niet, waer je bent? Een hiervan gevormd bijv. naamw. komt in de 18de eeuw voor in Sara Burgerhart, 274: Dat zal wat beter voor ons uitkomen, dan dat dit en dats hargueeren; zoo ook Nest. 11: Wat zou die ditendatsche loeder zich verbeelden? Vgl. verder wat dit en dat!, voor den drommel! M. de Br. 61: Toen viel ze uit: zoo vuile dit en dat, slet, stinkende dief, ben je daar pas!Voor dergelijke uitdrr. in het hd. zie Deutsche Wortforschung X, 159 vlgg.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut