Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

das - (marterachtig dier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

das 2 zn. ‘marterachtig dier (Meles meles)’
Mnl. das ‘dier’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; vnnl. das ‘id.’ [ca. 1626; WNT bloo].
Os. in plaatsnamen, bijv. Thahshem; ohd. dahs (nhd. Dachs); on. in plaatsnamen *þöx (nde. svin-toks ‘das’); pgm. *þahsu-.
De etymologie is niet duidelijk. Misschien verwant met Grieks téchnē ‘kunst, vaardigheid’, bij de wortel pie. *teḱt-, zie → techniek. Het dier zou dan benoemd zijn naar het feit dat het kunstige holen bouwt. Hiermee wellicht in overeenstemming zijn andere benamingen voor hetzelfde dier, die ‘graver’ betekenen: mnl. en mnd. grevel, grevink < ouder Duits graeving, graevling. Aangezien das eerder ook wel ‘damhert’, ‘ree’ en ‘gems’ betekende (NEW), lijkt de benoeming ‘kunstige bouwer’ echter onwaarschijnlijk. Een andere mogelijkheid is dat de -s een achtervoegsel is, zoals in → vos en → los 2 ‘lynx’, en dat pgm. *þahsu- < *togo-s bij een wortel pie. *tegu- ‘dik’, zie → dik, een das is dus een ‘dikkerd’; dit strookt dan met de uitdrukking zo vet als een das. Maar gezien de betekenis (de das is een inheems dier) en de beperkte (zekere) verspreiding van het woord zou das ook een substraatwoord kunnen zijn.
Ontleend aan het Germaans stammen de Romaanse woorden Laatlatijn taxō ‘das’ [4e eeuw], met daaruit o.a. Frans taisson.

EWN: das 2 zn. 'marterachtig dier (Meles meles)' (1287)
ANTEDATERING: daas 'das' [1240; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

das2* [marterachtig dier] {1287} oudhoogduits dahs; buiten het germ. oudindisch takṣati [hij timmert], latijn texere [oorspr. timmeren, later weven], grieks tektōn [timmerman], oudiers tál [bijl], oudkerkslavisch tesati [hakken] (vgl. tekst); de das is dus eigenlijk een bouwer, vgl. dasseburcht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

das 1 znw. m. ‘diernaam’, mnl. das, ohd. dahs (nhd. dachs) uit *þahsu- (ngerm. alleen bewaard in ouder-de. noorw. svintoks ‘das’). Uit het germ. stammen mlat. taxus, taxo (4de eeuw), ital. tasso, fra. taisson, sp. tejon (< texon). Het germ. woord betekent eig. ‘timmerman’ en duidt dus op zijn holenbouw, vgl. oi. tákşan, av. tašan ‘beeldhouwer’, gr. téktōn ‘timmerman’, waarvoor zie verder: dissel.

Een andere verklaring gaat uit van een voorgerm. *togos, dat zou behoren bij *tegu ‘dik’ en zou de das dan als ‘het dikke dier’ aanduiden; onder invloed van de woorden los en vos, zou dan een germ. *þaka- in *þahsu veranderd zijn (Sommer, IF 31, 1913, 359), weinig waarsch. — Andere namen voor het dier zijn oostmnl. mnd. grēvel, mnd. grēver, grēvink (> ouder-de. græving, nde. grævling), dat eigenlijk de ‘(holen)graver’ betekent. Oe. brocc is ontleend aan iers brocc (zie vooral J. Hoops in zijn Reallex. der germ. Altersk. 1, 1911-3, 384-6). — Opmerkelijk is, dat in vroeger tijd das ook voor andere dieren gebruikt werd, zoals damhert, ree, gems (zie O. de Neve Ts. 55, 1936, 177-93 en L. C. Michels Ts. 56, 1937. 95-6).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

das I (dier), mnl. das m. = ohd. dahs (nhd. dachs) m., (os. Thahshém plaatsnaam). Uit *þaχsa-, oorspr. “bouwer”, bij het ww. obg. tesati “houwen”, lit. taszýti “behakken, bewerken”, oi. tákṣati, tâṣṭi “hij bewerkt, timmert”, idg. teḱþ- “bewerken, timmeren, hakken”. Met gewijzigde bet. mhd. dëhsen “vlas braken”, lat. texo “ik weef, vlecht”. Met langere formantia nog deze nomina agentis: gr. téktōn, oi. tákṣan- “timmerman”, oi. táṣṭar- “id.”, lat. textor “wever”. Uit het Germ. komt lat. taxus, taxo “das” met zijn rom. afstammelingen. Zie verder bij dissel I. Vgl. ook taks.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

das I (dier). Het Scandinavisch bewaart een *þaχsu- in ouder-de., noorw. svintoks ‘das’ (vgl. hd. schweindachs) en in plaatsnamen. Het Ags. heeft brocc m. < ier. brocc. Andere germ. benamingen voor het dier behoren bij graven: oostmnl. mnd. grēvel, mnd. grēver, grēvink m., waaruit ouder-de. græving (de. grævling).
Niet beter dan de in het art. vermelde etymologie is het vermoeden van Sommer IF. 31, 360, dat das met dik zou verwant zijn en formantische -s- hebben, evenals los I en vos, eventueel onder invloed van deze woorden vervormd zou zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

das 1 m. (dier), Mnl. das + Ohd. dahs (Mhd. id., Nhd. dachs), wellicht van Idg. wrt. teks = bouwen (z. dissel 1); het w. ging in ’t Rom. over (Mlat. taxus, Fr. taisson, It. tasso).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1das s.nw.
1. Dassie (1dassie). 2. Ratelagtige soogdier waarvan soortgelyke diersoorte ook in Europa voorkom.
Uit Ndl. das (al Mnl.). Reeds by Van Riebeeck in die afleiding dassen (1652).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. in die vorm dasses (1786).

1dassie s.nw.
Plantetende soogdiertjie.
Afleiding met -ie van das (1das). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) vir wie dassie en klipdas sinonieme is. Mansvelt (1884) teken slegs dassi, dasje op, terwyl das en dassi vir Du Toit (1908) sinonieme is.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. in die vorm darsee (1809). Die S.A. soort word in S.A.Eng. das, dassie, dassy of rock rabbit genoem.

2das s.nw.
Dassie (2dassie).
Afleiding van das (1das), so genoem omdat die donkergrys kleur en opvallende silwer en donker strepe oor die lyf en stertsteel van die vis aan die kleure van die soogdiertjie herinner.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorme das en dasje (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

das I: soogdiertjie (spp. Procavia, fam. Hyracidae/Procaviidae) wat alleen in Afrika en dele v. Asië voorkom, reeds by vRieb (dassen en steendas) e.a. (v. Nien HOTT s.v. dassie I en II), word in die Afr. Bybel (behalwe in Spr. 30:26 waar klipdassies staan = vRieb se steendas?) oral das genoem, maar in die Ndl. en Eng. vert. ondersk. met konijn en die verw. con(e)y weergegee, dog versk. daarvan en ook v. d. Ndl. das en Hd. dachs (v. dachshond) wat met Eng. badger op nouer verw. diertjies (fam. Mustelidae) toeg. word. Die S.A. soort word in Eng. das/dassie/dassy of rock rabbit genoem. Die wd. das is, soos Ndl./Afr. vos, Eng. fox/(vr.) vixen en Hd. fuchs wsk. v. Germ. herk. en het daaruit in d. Rom. tale oorgegaan (vgl. ook Scho PD 12).

Thematische woordenboeken

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

Das ̶ Meles meles ( Linnaeus, 1758)
Duits: Dachs; Engels: Badger; Frans: Blaireau; Fries Das
Rond 1900 leefden er nog zo’n 10.000 dassen in Nederland. Na een dieptepunt in aantal in de tachtiger jaren leven er nu naar schatting ruim 1500 exemplaren binnen onze landsgrenzen. Mede door de inzet van de Vereniging Das en Boom en door het nemen van allerlei beschermende maatregelen, wordt getracht de das voor ons land te behouden.
Dassen zijn fervente gravers van ondergrondse gangen en holen; een stelsel dat in de loop der jaren wordt uitgebouwd tot een ware burcht. Een dassenburcht wordt in ons land meestal bevolkt door 3 à 4 familiegroepen, vaak onder leiding van een dominant mannetje.
Het verspreidingsgebied van de das beperkt zich voornamelijk tot de Veluwe, het oosten van Noord-Brabant en Zuid- en Midden-Limburg. Dassen zijn in hoofdzaak nachtdieren, overdag verblijven ze in hun burchten.
De das is een zwaargebouwd, gedrongen dier met een korte hals en stevige, releatief korte poten. De rugvacht is grijs van kleur, de buik is zwart. De witte kop is opvallend getekend door twee brede, contrasterende zwarte lengtestrepen.
Dassen zijn omnivoren (= alleseters). Regenwormen vormen een belangrijk deel van het opgenomen voedsel. Daarnaast eten ze allerlei vruchten, noten, eikels, mais, slakken, kevers etc.
Het uiterlijk van een das doet denken aan een kleine beer. Dit bracht de Zweedse natuurvorser Linnaeus ertoe de soort als Ursus meles (ursus = beer) tot de beren te rekenen. Pas jaren later werd de wetenschappelijke naam gewijzigd in het huidige Meles meles.
De naam das hangt samen met woorden uit oude talen zoals het Indogermaanse woord ‘Tachsa’ dat bouwen betekent. De das is dus eigenlijk een bouwer (van burchten). In sommige streken spreekt men van dasse (Achterhoek, Friesland, Twente). In boeken wordt hij soms als Europese das aangeduid.
Zijn kwaliteiten als ‘graver’ komt naar voren in de bijnamen graver, grevel, grevink (Achterhoek) (vergelijk Westfaals Griewel) en mijnwerker.
De kopvorm van een jonge en een oude das zijn duidelijk verschillend; de ouden hebben een kop die lijkt op dat van een varken, de kop van de jongen doet denken aan een hondenkop. In verband hiermee wordt een volwassen das nogal eens dasvarken (Utrecht, Zeeland), varkensdas (Friesland, jag, Noord-Brabant) of varkesdas (Noord-Brabant) genoemd. Jonge dassen worden als hondendas, hondsdas (jag) of onsdas (Noord-Brabant) geduid.
De Friese naam taks is zowel een naam voor de das als voor het dashondje waarmee men vroeger op dassen jaagde.
In het verleden werd de das door jagers schertsend een vierbenige trappist genoemd.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

das. In de 16de en 17de eeuw komt de krachtterm bij gans das voor. Gans is een verbastering van Gods. Men riep verschillende door God geschapen dieren of delen daarvan tot getuige dat men de waarheid sprak. Het ijdel gebruik van zo'n oorspronkelijke plechtige formule maakt haar tot vloek en uitroep van verbazing, ongeloof en frustratie. → bok, gans (1), haas, hond, kat, kievit, koe, koekoek, konijn, kraai, muis, slak, varken, vink, wolf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

das ‘marterachtige’ -> Zuid-Afrikaans-Engels das, dassie, dassy ‘Kaapse klipdas; witte zeebrasem (lijkend op een klipdas)’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

das* marterachtige 1287 [Cg NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut