Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

das - (halsdoek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

das 1 zn. ‘halsdoek’
Vnnl. dasjes (focalia) ‘halsdoekjes’ [1666; Wortel], een alamodis dasje ‘een modieus halsdoekje’ [1680; Wortel], vier geployde dassen ... ses strickdassen [1682; Wortel]; nnl. Ieder Ritmeester (sal) aan een Ruiter geeven alle twee jaaren ... twee Linnen Dassen of wel een Zyde Das, [1734; WNT linnen I].
Wrsch. ontleend aan Nederduits dass, dasse ‘dikke wollen halsdoek’. De verdere etymologie is niet duidelijk. Vercoullie gaat uit van een Vlaams dasse ‘pruik’, dat hetzelfde woord zou zijn als das(se) ‘pelsjas’, en een variant zou zijn van → dos ‘haar, vacht; kleding’; hij leidt dit via Westfaals dass, doss ‘kleed’ af van Italiaans dossi ‘rug van de grijze eekhoorn; bontkraag’, in welke laatste betekenis dat woord echter niet is aangetroffen (WNT).
Zie ook → stropdas.
Lit.: D. Wortel (1996) ‘Over de etymologie van “das” en “iemand de das omdoen”’, in: Trefwoord 11, 144-152

EWN: das 1 zn. 'halsdoek' (1666)
ANTEDATERING: Dasjes en Mans Mutsen [1658; Bewys, 7]
EWN: ♦ stropdas zn. 'strak om de hals gestrikte das' (1839*)
ANTEDATERING: van de kragen en stropdassen [1727; Boekzaal 2, 93]
{* Het woord stropdas komt in het EWN ook voor bij strop. De oudste datering is daar 1733.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

das1 [halsdoek] {1666; als ‘stropdas’ 1832} etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

das 2 znw. v. ‘kledingstuk’ is van onbekende oorsprong; reeds 18de eeuw in gebruik. Vercoullie, Bull. Acad. Roy. de Belg. 1907, 431 voert het woord terug op ital. dossi ‘bontkraag’ (onzeker).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

das II (halsdoek). Eerst nnl.: das(se). Oorsprong onbekend. De afl. uit noord-westf.-barg. dass “kleed” (= barg, dôss, uit ’t rom. bij dos besproken woord) is zeer onwsch. Dan nog eer = das I, hoewel de bet.-geschiedenis duister is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

das 2 v. (halsdoek), vergel. Vla. dasse = pruik (eig. pelsmuts) en das(se) = pelsjas, die op een Bargoenschen bijvorm van dos teruggaan. Daaruit blijkt dat dit das wel hetz. w. is met de oorspr. bet. van pelskraag.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3das s.nw.
Smal strook material wat om 'n hempsboordjie gedra word en onder die ken geknoop of met 'n strik vasgemaak word.
Uit Ndl. das (1666).
Ndl. das hou mntl. verband met Vlaams dasse 'pruik' en das(se) 'pelsjas' wat op 'n Bargoense wisselvorm van dos teruggaan. Wsk. het das en dos saam vroeër 'pelskraag' beteken. Hou miskien verband met It. dossi 'bontkraag'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

das III: kledingstuk; Ndl. das, waarvan herk. vlgs. FvWvH onbekend is, Verc (BEW) soek egter verb. m. Vl. dasse, “pruik”, en das(se), “pelsjas”, wat op Bar. byvorm v. dos teruggaan, en neem aan dat das/dos saam vroeër bet. “pelskraag” gehad het, misk. verb. m. It. dossi, “bontkraag”, maar deur dVri J NEW onseker geag.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

das ‘halsdoek, stropdas’ -> Fries das ‘halsdoek, stropdas’; Duits dialect Daß, Das ‘halsdoek’; Indonesisch dasi ‘stropdas’; Boeginees dâsi ‘halsdoek’; Jakartaans-Maleis dasi ‘halsdoek, haarlint’; Javaans dhasi ‘halsdoek (herenkleding)’; Madoerees dasi ‘halsdoek’; Makassaars dâsi ‘halsdoek’; Menadonees das ‘halsdoek’; Muna dasi ‘stropdas’; Sasaks dasi ‘halsdoek’; Soendanees dasi ‘halsdoek’; Creools-Portugees (Batavia) dasie ‘stropdas’; Creools-Portugees (Ceylon) dace, daci, dase ‘stropdas’; Creools-Portugees (Malakka) † dasi, daci ‘halsdoek’; Singalees † dāsi ‘halsdoek’; Chinees dialect lasi ‘stropdas’ ; Negerhollands dassie ‘stropdas’; Papiaments dashi (ouder: dasji) ‘stropdas’; Sranantongo das ‘halsdoek, stropdas’; Aucaans dasi ‘halsdoek, stropdas’; Sarnami dás ‘halsdoek, stropdas’; Surinaams-Javaans dhasi ‘halsdoek, stropdas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

das halsdoek 1666 [Wortel Tw. 11] <?

das stropdas 1832 [Wortel Tw. 11] <?

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

408. Iemand de das omdoen,

d.w.z. in eigenlijken zin: iemand den arm om den hals slaan en dezen toeknijpen, een uitdrukking ontleend aan het worstelen; fig. iemand of iets den nekslag geven, den dood aandoen, zijn bestaan vernietigen of iets dergelijks. Zie Onze Volkstaal, III, 194: das, strop; Teirlinck, Wab. 12; Nkr. X, 8 April p. 3: Toen is hij aan 't wettenmaken gegaan en heeft de arbeiders den das omgedaan; Het Volk, 15 April 1914 p. 7 k. 2: Zij verzekert, dat zij herhaaldelijk geprobeerd heeft toenadering te brengen en betwist dat zij de organisatie de das wil omdoen; zij wil de organisatie omzetten; 9 April 1914 p. 1 k. 2: De goe-gemeente vertelt, dat wij B. ‘de das hebben omgedaan’ en konkludeert, dat wij het ontslag van dezen ouden strijder welbewust hebben nagestreefd; 17 Jan. 1914 p. 5 k. 1: Weet je wat, laat jij je de das omdoen, zie jij maar dat je 't klaar speelt, ik gun je de lol. Vandaar ook de das omhebben, dood zijn, niets meer te zeggen hebben (van een politieke partij); vgl. Het Volk, 1 Juli 1913 p. 6 k. 4: Over 4 jaar hebben jelui de das om, want dan moeten de liberalen ons helpen! Rooie salemander!.... Maar voorloopig kan toch niemand er iets aan veranderen, dat hij de das om heeft, de ‘zwarte salemander’. - Dat doet hem de das om (Mil. Acad.): dat maakt, dat hij blijft zitten.

Ook komt deze uitdrukking voor in den zin iemand een ‘strop’ bezorgen, in den handel bedriegen; daarna in 't algemeen beetnemen; vgl. Haagsche Post, 15 Januari 1921, p. 100: En kan de winkelier mij daarmede (het verkoopen van een das) nooit den das hebben omgedaan; Sjof. 127: Ja, me lieve, dat zeg-ie nou, maar loop-ie d'r soms in, je zal twintig maal informeeren en toch doen ze je den das omOnze Volkstaal II, 119; Weekblad voor Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs, IX, 426..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut