Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dapper - (moedig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dapper bn. ‘moedig’
Mnl. dapper ‘moedig, flink’ [1265-70; CG II, Lut.K], ccc ende xviij liede Die dapper waren ende stoud ‘318 man die flink en moedig waren’ [1285; CG II, Rijmb.].
Mnd. dapper ‘zwaar, geweldig, dapper’; ohd. tapfar ‘ineengedrongen, stevig, zwaar, moeilijk’ (nhd. tapfer); ne. dapper ‘keurig, parmant’ [1440] (< Nederlands); on. dapr ‘loom, treurig’ (nde. tapper ‘moedig, veel’); < pgm. *dapra- ‘zwaar, moeilijk’.
Pgm. *dapra- wijst op pie *dheb- ‘dik, vast, gedrongen’ (IEW 239). Buiten het Germaans neemt men wel verwantschap aan met Oudpruisisch debīkan ‘groot’; Oudkerkslavisch debelŭ- ‘dik’, doblĭ ‘dapper’; dat is echter onmogelijk, omdat de Slavische vormen dan een lange ē gehad zouden hebben, deze woorden zouden moeten horen bij een wortel pie. *dhebh-. De overeenkomstige betekenissen in de Germaanse en Slavische talen doen echter wel verwantschap vermoeden; vermoedelijk is het dus een substraatwoord.
Lit.: R.S.P. Beekes (1998) Een nieuw Indo-Europees etymologisch woordenboek UKNAW 61,9, p.16

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dapper* [moedig] {1265-1270 in de betekenis ‘flink, vlug, moedig’} middelnederduits dapper [zwaar, dapper], oudhoogduits tapfar [ineengedrongen, stevig]; buiten het germ. oudkerkslavisch dobrŭ [goed], debelŭ [dik], doblʼĭ [dapper].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dapper bnw., mnl. dapper ‘dicht opeen, sterk, fors, flink’, mnd. dapper ‘zwaar, geweldig, dapper’, ohd. tapfar ‘vast, ineengedrongen, stevig, zwaar’, me. daper (ne. dapper) ‘net’; daarnaast on. dapr ‘loom, bedroefd’. — osl. dobólyj ‘sterk, dapper’, debelŭ ‘dik’ (Wiedemann BB 30, 1906, 216), vgl. nog toch. Β. tappre, tāpr, Α. tpär ‘hoog’.

Woods verklaring (MLN 21, 1906, 227) uit idg. *dhǝbro ‘verdwijnen, klein, zwak, bedroefd’, vgl. oi. dabhra- ‘gering, zwak’, houdt te weinig rekening met de germ. betekenissen. — Voor de idg. wt. neemt men als bet. aan ‘dik, gedrongen, vast’ (IEW 239), daaruit ontwikkelde zich enerzijds ‘samengedrongen, stevig’ > ‘dapper’, anderzijds in het on. ‘ineengedrongen, zwaar, zwaarmoedig’. — Mogelijk is ne. dapper (sedert 1440) ontleend < nl. vgl. Bense 72.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dapper bnw., mnl dapper “dicht ineen, sterk, forsch, flink, vlug”. = ohd. tapfar, mhd. tapfer “vast, ineengedrongen, stevig, zwaar” (de bet. “dapper” is laat-mhd. nhd.), mnd. dapper “zwaar, geweldig, dapper”, meng. daper (eng. dapper) “net”, germ. *ðapra-, idg. *dhabro-, *dhobro- of *dhǝbro-. Als we van een grondbet. “massief, zwaar” uitgaan, mogen we in on. dapr “loom, zwaar, somber” ’t zelfde woord zien en verwantschap met ksl. debelŭ “dik”, opr. debîkan “groot” aannemen: we moeten dan van idg. *dhobro- uitgaan. Een grondbet. “flink, handig” is voor germ. *ðapra- niet wsch. en de in dat geval semantisch mogelijke combinatie met lat. faber “handwerksman”, fabrê bijw. “kunstvaardig, handig”, obg. dobrŭ “goed”, dobl'ĭ “dapper” is formeel niet aannemelijk: deze woordgroep heeft veeleer idg. bh, blijkens arm. darbin “smid”; pael. faber is geen bewijs voor een bijvorm met idg. b: ’t kan uit het Lat. ontleend zijn. Zie nog deftig.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dapper. Meng. daper (eng. dapper) is wsch. aan het Ndl. ontleend: Toll Lehng. 34.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dapper bijv., Mnl. id. + Ohd. tapfar (Mhd. en Nhd. tapfer), Meng. daper (Eng. dapper), On. dapr (= zwaar, somber) + Osl. doblĭ = sterk, debelŭ = dik (z. deftig en ondieft).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dapper: “baie, erg”; vRieb gebr. dié wd. (soos trouens ander 17e-eeuers, vgl. WNT III 2295) presies soos ons vandag bra (uit ouer braaf) as bw. v. graad gebr., nl. “dapper bevreest voor sijn”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dapper ‘moedig; (verouderd) flink, sterk, kloek’ -> Engels dapper ‘keurig, netjes; parmantig’; Deens tapper ‘flink, sterk, moedig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors tapper ‘flink, sterk, moedig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds tapper ‘flink, sterk, moedig’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands tapper ‘flink, sterk, moedig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dapper* flink, sterk 1265-1270 [CG Lut.K]

dapper* moedig 1637 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal