Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dans - (beweging op muziek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dansen ww. ‘op muziek bewegen’
Mnl. dansen ‘dansen’ [1240; Bern.], dansen ende springen [1263; CG II, Lut.K], die vor hem spronghen ende dansten ende songhen [1285; CG II, Rijmb.].
Als hoofs modewoord ontleend aan Frans danser, ouder dancier [ca. 1170; Rey], dat in de Romaanse talen verder voorkomt als Provençaals dansar, Spaans danzar, Italiaans danzare. Algemeen wordt aangenomen dat het woord van Germaanse oorsprong is, omdat het vooral Noord-Frans is en omdat het in de Middellandse Zee-talen een literair woord is gebleven, naast de gewonere woorden uit Latijn ballāre ‘dansen’, zie → bal 2.
De verdere etymologie is omstreden. Voorgesteld wordt Frankisch *dansōn ‘trekken, slepen’ (op grond van ohd. dansōn ‘id.’), wat echter semantisch onwaarschijnlijk is en ook de oudste Franse vorm dancier niet goed verklaart. Voorgesteld wordt ook Frankisch *dintjan, op grond van woorden als mnl. deinsen, deisen ‘terugwijken’ (zie → deinzen), mnd. deisen ‘id.’, nijsl. dynta ‘zich opwinden’; hier blijft echter de -a- van het Frans onverklaard. Mnd. dansen en mhd., nhd. tanzen zijn via het Nederlands ontleend.
dans zn. ‘het dansen’. Mnl. dans [1287; CG II, Nat.Bl.D]. Afleiding van het werkwoord dansen, of als zn. ontleend aan Frans danse [1172-75; Rey].

EWN: ♦ dans zn. 'het dansen' (1287)
ANTEDATERING: dans 'dans' [1240; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dans in de uitdrukking de dans ontspringen [aan iets onaangenaams ontkomen] {1612} staat hier mogelijk voor dodendans, zoals ook in het middelnl.; vroeger gebruikte men ook in dezelfde betekenis de rei ontspringen {1544} en de kattendans ontspringen {1598}.

dansen [op muziek bewegen] {1201-1250} < frans danser < vulgair latijn danciare < ∗deantiare [naar voren bewegen] en/of < frankisch ∗dintjan [heen en weer bewegen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dans znw. m., mnl. dans < fra. danse (evenals mnd. dans, ohd. tanz, me. daunce, on. dans). Daar de nhd. vorm met t niet rechtstreeks op frans danse zal teruggaan, maar eerder een laat-substitutie voor nd. d is, geschiedde de overname van het fra. woord over het Vlaams.

De herkomst van het fra. woord is onzeker. Men heeft lang gedacht aan een overname uit een frank. dansōn ‘trekken’ (waarvoor zie: deinzen), vgl. Gamillscheg 290. Eerder toch uit een mlat. *danetzare ‘zich vermaken op een dorsplaats buiten op het veld bij het dorsfeest’ (F. Äppli, Zfrom. Ph. Beiheft 1925, 75).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dans znw., dansen ww., mnl. dans m., dansen. Van ofr. danse, danser. Het mnl. znw. komt nooit met een -e aan ’t eind voor, doordat het als een nomen actionis bij dansen gevoeld werd. Denzelfden oorsprong hebben mhd. (sedert de 12. eeuw) nhd. tanz m., tanzen, mnd. dans, danz m., danzen, meng. daunce(n), -se(n), eng. (to) dance,on. dans m., dansa, de. dans, danse, zw. dans, dansa. De rom. woorden (fr. danser, it. danzare) leidt men af van ohd. dansôn “trekken” (zie deinzen). De germ. talen hadden ook andere benamingen voor (verschillende genres van) “dansen”, ten deele eveneens ontleend: ohd. salzón, ags. sealtian uit lat. saltâre; got. plinsjan uit oerslav. plęsati “dansen”; echt germ. is got. laikan “springen, dansen” (zie huwelijk); zie ook spelen en tuimelen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dans, dansen. De germ. oorsprong van de rom. woorden is niet onbetwist.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dans m., Mnl. id., gelijk Mhd. tanz (Nhd. id.), Meng. daunce (Neng. dance) uit Fr. danse, hetwelk zelf uit Ohd. dansôn, een afleid van dinsan = trekken (z. deinzen).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dans (Frans danse)
dansen (Frans danser)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dans ‘beweging op muziek’ -> Duits Tanz ‘beweging op muziek’;? Deens dans ‘beweging op muziek’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dans ‘beweging op muziek’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch dansa ‘westerse dans, dans-’; Japans dansu ‘beweging op muziek’; Negerhollands dans ‘beweging op muziek’; Berbice-Nederlands dansi ‘beweging op muziek’; Sranantongo dansi ‘beweging op muziek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dans beweging op muziek 1240 [Bern.] <Frans

dansen op muziek bewegen 1240 [Bern.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

442. Te dom (of te stom) om voor den duivel te dansen,

d.w.z. zeer dom zijn; vgl. Harreb. I, 142: Hij is te dom om voor den duivel te dansen; in Kmz. 335; 356 en Nest. 24: Te stom om voor den duivel te dansen; Het Volk, 8 Dec. 1913, p. 1 k. 2: De parvenu, zelf vaak te dom om voor den duivel te dansen, moet in al zijn uitingen het bewijs leveren dat hij een nietsnut is; Molema, 83; fri. to dom om foar de divel to dounsjen. Evenzoo in Zuid-Nederland; zie o.a. Antw. Idiot. 362.

407. Den dans ontspringen,

d.w.z. het gevaar ontkomen. Men kan dans hier opvatten in den zin van strijd (ook het nhd. tanz wordt sedert de 16de eeuw in dien zin gebruik), of in dien van doodendans, waarvan voorstellingen in de middeleeuwen aangetroffen werden op muren van kerkhoven, en vooral op de muren van de een of andere doodkapel, en die men thans in verschillende steden, zooals te Lubeck en te Basel nog zien kan. Op die schilderingen ziet men den dood dansende, terwijl hij menschen van alle standen, niemand uitgezonderd, uitnoodigt mee te springen. Van den paus en den keizer tot den kluizenaar en den geringsten burger toe, allen moeten aan den dans; niemand kan dat gevaar ontspringenZie P.H.v. Moerkerken, de Satire in de Ndl. Kunst der Middeleeuwen, bl. 158-171; L. Maeterlinck, le Genre satirique dans la peinture flamande, 2de edit. p. 212 vlgg.; Leuv Bijdr. X, 254.. In een doodendans, vervaardigd tusschen de jaren 1495-1499 en medegedeeld in Germania XII, 305 lezen wij vs. 225:

 du magst dem dantz nit entrinnen;
 du must mir (nach) vor allen dingen.

Vgl. ook Van Vloten, Geschiedz. I, 207 (anno 1534): Hi heeft te Munster aen dans gheweest, den rey is hi ontspronghen; Polit. Refer. (16de eeuw) bl. 59: Al zijn zij den dans nu hebbelick ontspronghen, comen zij aen 't dweershout niet, zij zullen ten toppe gheraken, daer den Nachtegael zeven jaer heeft op ghesonghen; Pers, 788 b: Sy sloegen dwers door den vyand, soo datser wel 18 of 20 om hals brachten eerse sich een opene bane maeckten: en met breyn en bloed over al beswaddert soo ontslipten sy desen gevaerlijken dooden dans; Campo Weyerman, Den vrolyke tuchtheer (anno 1730), bl. 83: Het lust my niet om de wyze, of liever krygslist waar door hy dien doodendans ontsprong, alhier aan te halen; vgl. ook nog Six v. Chandelier, 512:

 Zou d'ander helft van Greevelingh,
 Oock sonder vijands loot en klingh,
 Den doodendans wel hebben leeren danssen?

Men zie verder Noord en Zuid XIV, 152-158; XXVI, 227, alwaar uit Campo Weyerman nog twee bewijsplaatsen van den doodendans ontspringen worden geciteerd; Volkskunde XVI, 202; De Cock1, 269; 341; Ndl. Wdb. III, 2287; Nkr. VII, 3 Maart, p. 3; 15 Maart, p. 4; Waasch Idiot. 161 a; vgl. de 16de-eeuwsche syn. uitdr. den kattendans ontspringen (V. Eck, 30); fri, de douns ontspringe; hd. er soll dem Tanze nicht entlaufen (Wander IV, 1027Dr. P. Leendertz is van eene andere meening. In zijne uitgaaf der Mnl. Dram. Poëzie zegt hij, bl. 558: ‘In een aantal uitdrukkingen werd vroeger, zoowel als tegenwoordig, dansen schertsenderwijze gezegd voor allerlei wijzen van gaan. B.v. ergens heen dansen (een onaangenamen gang doen), in de vrije lucht dansen (opgehangen worden), den wolvendans dansen (verkracht worden), aan den dans moeten (aan eene onaangename bezigheid moeten beginnen), enz. De uitdr. den dans ontspringen, die trouwens eene veel uitgebreidere beteekenis heeft dan “den dood ontkomen”, is dan ook niet aan den doodendans ontleend, maar veeleer is doodendans (= gang naar het graf) een der vele voorbeelden van dit gebruik van dansen.).

1663. Oliedom zijn,

d.w.z. bij uitstek dom, uiterst onverstandig zijn: te dom of stom om voor den duivel te dansen (fri. to dom om foar de duvel to dounssen); amper of even voor vuur en licht bewaard zijn (dial.); hij is te dom, om alleen bij het vuur te zitten (Harreb. II, 427); fri. oaljedom. Deze uitdrukking komt sedert de 18de eeuw voor o.a. C. Wildsch. I, 251; Brieven v. B. Wolff, 413; Ndl. Wdb. X, 115; vgl. het dial. traandom (Taalgids VIII, 113Joos, 125; Loquela, 372.); in Zuid-Nederland oliedom naast ovendom; hoorndomVgl. ook Het Volk, 8 Dec. 1913, p. 1 k. 2; Kmz. 335; 356.. Voor de verklaring vergelijke men broodmager, kiplekker (no. 1152); hd. gerührt sein wie Apfelmus; grob sein wie Bohnenstroh; zoo onnoozel als pompwater, op een dwaas gezegde (Waasch Idiot. 531 b); zoo vet als een slak (dronken); dat spreekt als een petje, dat spreekt van zelf; hij gaat af als een reiger, hij druipt af, omdat hij niets weet te antwoorden, en dergelijke, waarin aan woordspel met twee verschillende beteekenissen van het bijv. naamw., het zelfst. naamw. of een wkw. moet worden gedacht. Oliedom is dan in eig. zin zoo dom, d.i. traag, loom, vadsig, lui, als (traag vloeiende) olie, in welken zin dom dial. nog bekend is. Zoo zegt men in Zuid-Nederland dom zijn van de hitte, zwaarhoofdig, suf zijn van de hitte (vgl. dommelen en Tuerlinckx, 125; Rutten, 54; Schuerm. 99 a; De Bo, 246). In de Zaanstreek spreekt men van domme handen, verkleumde handen, onbruikbaar door de koude (Boekenoogen, 159).

1824. Naar iemands pijp(en) dansen,

d.w.z. alles doen wat een ander begeert; iemands wil in ieder opzicht volgen; eig. zóó dansen als een ander voorfluit (vgl. Goedthals, 101: Men moet danssen naer dat de speelman wilt; Vondel, Leeuwendalers, vs. 1320). De zegswijze wordt in de 16de eeuwIn proza van het laatst der I5de eeuw komt voor: Ende nadien dat sie (de pijpers van de ‘geestelike bruloft’) pijpen, sullen die bruden dansen ende treden. Hier hebben we nog niet met een spreekwijze te doen (Tijdschr. XLI, 129). aangetroffen bij Servilius, 229*: tMoet al dansen nae syn pypen (vgl. Bebel, 417; Prov. Comm. 557: nader pipen salmen dansen); Campen, 118: Wy moeten nu nae synen pypen dansen; Coornhert, 552 r: Die heeft machts ghenoegh om ons nae sijne moort-pijpe te doen dansen; Sartorius IV, 53: tMoet al na syn pijp dansen; I, 6, 6: Ghy danst niet als ghy pijpt; Anna Bijns, Refr. 124: Die niet en willen dansen nae Luthers pijpen; Marnix, Byenc.: Maer alle Concilien moeten de H. Kercke onderworpen wesen.... ende altydt na hare pijpen dansen; elders: Of het Bier na de woorden, ende na de pijpe der Transsubstantiatie soo wel soude konnen dansen.... als de WijnAangehaald in Taal en Letteren II, 75.; Van Vloten, Geschiedzangen I, 122: Na sulken pijpe en woudense niet dansen; Tijdschr. XXI, 108: Wy moeten al nae haer pypen springhen, haer sancksken singhen; Hooft, Brieven, 384: Naar hunne pijp doen dansen; Huygens VI, 33: 't Is wonder dat de Franssen ons oock al slaepende naer haere pyp doen danssen; bl. 20: Speellieden, die u selfs doen naer haer' pijpen danssen; Van Effen, Spect. I, 141: Moet ik naar hare pypen, of zy naar de myne danssen?; II, 142: 't Een of 't ander canailleus wyf dat 't geheele huisgezin naar haar pypen doet danssen; C. Wildsch. III, 20; Harreb. III, 15; Ndl. Wdb. III, 2288; Krat. 187; Nkr. V, 24 Juni p. 6; VI, 15 Juni p. 6; Nest. 105; Handelsblad, 18 Sept. 1913 (avondbl.), bl. 1 k. 3: Haar (de Democratie) volkswil kwam achter de deur bij den bezemstok en zij mocht dansen naar het pijpen der Parijsche Jacobijnen; S. en S. 42; Zoek. 63: Nou dansten ze naar de pijpen van de vrouwen: enz. Uit al deze voorbeelden blijkt overtuigend, dat men in ‘pijpen’ evengoed het meerv. van het znw. kan zien, als de onbepaalde wijs van het werkwoord; beide opvattingen golden vroeger, en ook thans is het niet uit te maken, welke van beide bedoeld wordt, ofschoon men vrij algemeen er den infinitief in gevoelt. Zie Ndl. Wdb. XII, 1698; 1741. Voor Zuid-Nederland zie Joos, 83; Antw. Idiot. 330: dansen gelijk er gefloten wordtVgl. Matth. XI, 17: Wy hebben u op de fluyte gespeelt, ende ghy en hebt niet gedanst.; Waasch Idiot. 161 a: dansen gelijk iemand schuifelt; 518 b: naar iemands pijpen dansen; Teirl. 250: op iemand zijn schuifelke, zijn fluitse dansen; ook dansen gelijk iemand schuifelt, fluit; vgl. verder het hd. nach jemandes Pfeife, Geige tanzen; oostfri.: na andermans pîpen dansen; eng. to dance to (or after) a person's pipe, piping, whistle, tune(s); fr. aller aux flûtes de qqn; het Friesch: nei immens pipen dounsje. Zie verder Huydecoper, Proeve I, 370-375, die ook vermeldt Jan Zoet, 42: Ieder moest zijn deuntje zingen, ieder danssen naar zijn fluit.

1867. De poppen zijn aan 't dansen,

d.w.z. de ruzie, de twist is begonnen, uitgebarsten; eig. het poppenspel is begonnen, eene uitdr. dus aan het marionettenspel ontleend, dat sedert de middeleeuwen bij ons bekend is en toen dockenspel (mhd. tockenspil) genoemd werd (Mnl. Wdb. II, 271). Vgl. Ons Volksleven X, 118; Antw. Idiot. 1978; Waasch Idiot. 532 a; Harreb. I, 115: het is alle dagen geen kermis, al dansen de poppen. Ook in het fri.: nou komme of dèr ha jy de poppen oan 't dounsjen; in het nd.: nu häff wi de Puppen am danssen (Eckart, 418). Deze uitdr. staat o.a. in Sara Burgerhart, 33: Ik heb wel gewagt, dat die poppen daar eens aan het dansen zouden raken; Br. v. Abr. Bl. II, 59; V. Janus, 20; 179; III, 280; Harreb. II, 194; Jong. 220; Kmz. 225; Prikk. V, 10; Nkr. VIII, 24 Jan. p. 7; Sjof. 216; Het Volk, 29 Dec. 1913, p. 8 k. 3; A. Jodenh. II, 30; Nw. School, VI, 97; enz. Synonieme uitdrukkingen zijn: daar heb je 't spel, het spectakel gaande (Van Effen, Spect. VI, 18; Eckart, 492: bi ons ös all Dag Spectâkel); daar is bal (Molema, 17 b; vgl. no. 1050); Tuerlinckx, 49 en Joos, 111: 't is kermis (of bal); 't zal bal op Java zijn, gij zult slagen krijgen (Waasch Idiot. 313 a); de kat komt op de koorde, gaat op de koorde dansen, is op de koorde (De Bo, 498 a; Schuerm. 226 a; Rutten, 107 b; Joos, 96 en Antw. Idiot. 625); het spel komt (is) op den wagen (denk aan de blauwe scute; De Bo, 1067 b; Tuinman I, 39; Schuermans, 841aZie J.A. Worp, Gesch. van het Drama en van het Tooneel in Nederland I, 51 en Mnl. Wdb. IX, i.v. wagenspel.); 't zal hora zijn (Rutten, 96 b en Tuerlinckx, 275, die hierbij aanteekent, dat we in deze uitdr. eene zinspeling moeten zien op de hora (vroeger: studentengebeden in kloosters) zingen, wat licht luidruchtig gebeurde); in Kl. Brab. de orgel draait, er is ruzie; elders: het is er op of over, of het zal er boven op zijn, het zal er op zijn, 't spel is aan den gang, er wordt getwist, gevochten; vaak met betrekking tot oneenigheid in een gezin; Ndl. Wdb. XI, 312; Rutten, 291 b; Antw. Idiot. 892; Teirl. 204; Afrik. die poppe is aan dans; fr. voilà le bal qui commence; hd. da geht der Tanz los; eng. the ball opens. In Groningen zegt men: doar is de kat in 't goaren (Molema, 192).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal