Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dank - (erkentelijkheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dank zn. ‘erkentelijkheid’
Onl. thankis (genitief) ‘uit vrije wil, om niet’ [10e eeuw W.Ps.]; mnl. danc ‘erkentelijkheid’ [1240; Bern.], sonder smesters danc ‘tegen de wil van de meester’ [1284; CG I, 830], danc ‘gedachte’ [ca. 1300; MNW].
Afleiding (verbaalnomen) van pgm. *þankjan-, zie → denken.
Os. thank; ohd. danc (mhd. danc, nhd. Dank); ofri. thonc, thanc (nfri. tank); oe. ðank, ðonc (ne. thanks (mv.)); on. þökk (nzw. tack); got. þank; < pgm. *þanka ‘dank’. Hiervan secundair afgeleid: os. thankon, ohd. dancōn (mhd. en nhd. danken); ofri. thonkia (nfri. tankje); oe. ðoncian (ne. thank); on. þakka.
De oorspr. betekenis is ‘het denken, de gedachte; de wil’, wat zich dan via ‘goedgunstige gedachte’ en ‘dankbare gedachte’ ontwikkelt tot ‘erkentelijkheid’. De betekenis ‘wil’ is nog aanwezig in de uitdrukking tegen wil en dank.
danken ww. ‘dank betuigen’. Onl. thancan ‘dank betuigen’ [ca. 1100; Will]; mnl. danken ‘id.’ [1220-1240; CG II, Aiol.], hi ... dancte ‘hij dankte’ [1260-1280; CG II, Wr.Rag.], dies danc hic gode ‘daarom dank ik God’ [1290; CG II, En.Cod.]. Afleiding van het zn. dank. ♦ dankbaar bn. ‘erkentelijk’. Mnl. dancbaer [1340-60; MNW-P], danckbaer [1430-50; MNW-P], dancber [1440-50; MNW-P]. Afleiding van dank met het achtervoegsel → -baar.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dank* [erkentelijkheid] {oudnederlands thanc 901-1000, middelnederlands danc [gedachte, wil, dank]} de betekenis ‘gedachte’ is de oudste; verwant zijn oudsaksisch thanc, oudhoogduits danc, oudfries thonc, oudengels ðonc, oudnoors þǫkk, gotisch þagks; het woord is afgeleid van denken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dank znw. m., mnl. danc ‘gedachte, wil, zin, dank, loon, lof’, onfrank. thankis ‘gratis’, os. thank, ohd. danc, ofri. thonc, oe. ðonc m. (ne. thanks mv.), on. þǫkk v., got. þagks m. betekent eig. ‘het denken’ en is afgeleid van denken. — Zie ook: ondanks.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dank znw., mnl. danc m. “gedachte, wil, zin, dank, loon, lof”. = (onfr. thankis “gratis”), ohd. (nhd.) danc, os. thank, ofri. thonk, ags. ðonc (eng. thanks mv.) m., on. þokk v., got. þagks (m.?) “dank” en verwante bett., ospr. = “het denken”, vgl. denken. De bet. “zin, wil” nog in ondanks uit mnl. ondanx (ook ênen tondanke, te ênes ondanke “tegen iemands zin”), = ohd. mhd. mnd. undankes, ofri. unthonkes, ags. unðonces “ongaarne, tegen den zin van” (mnl. sînes ondanx mhd. mnd. sînes undankes, ags. his unðonces “zijns ondanks”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dank m., Mnl. danc, Os. thanc + Ohd. danc (Mhd. id., Nhd. dank), Ags. đonc (Eng. thank), Ofri. thenk, On. þekk (Zw. tack, De. tak), Go. þagks, van denz. stam als ’t enk. imp. van een ww. waarvan ook denken (z.d.w.), dus = gedachte, herinnering.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

daank (zn.) dank; Aajdnederlands danc <901-1000>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dank (iemand -- weten) (vert. van Frans savoir gré à quelqu’un)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dank, verwant met denken; het gevoel van erkentelijkheid, dat zich niet in daden, maar in gedachten, in woorden uit.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dank ‘erkentelijkheid’ -> Negerhollands dank, danki ‘erkentelijkheid’; Papiaments danki ‘erkentelijkheid’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † danki, dankie ‘erkentelijkheid’ .

dank je, dank u, dank ‘bedankt’ -> Frans dialect dank ‘bedankt’; Ambons-Maleis danki, danke ‘bedankformule’; Kupang-Maleis dankye ‘bedankformule’; Menadonees dankye ‘bedankformule’; Ternataans-Maleis dankye ‘bedankformule’; Creools-Portugees (Batavia) dangki ‘bedankt’; Negerhollands danki, dankie, dank ju ‘bedankt’; Berbice-Nederlands danggi ‘bedankt’; Papiaments danki ‘bedankt, dank u, dank je’; Sranantongo danki, tangi ‘bedankt, dank u, dank je’; Saramakkaans tangí ‘bedankt’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) danki ‘bedankt’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dank* erkentelijkheid 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

406. Iemand dank weten,

d.i. iemand danken, dankbaar zijn, hem dank toekennen. De uitdrukking is sedert de middeleeuwen zeer gewoon (zie Mnl. Wdb. II, 62) en is waarschijnlijk eene navolging van het Grieksch χαριν ιδεναι. Voor plaatsen uit de 16de en 17de eeuw zie Huydecoper, Proeve III, 9-10Aldaar wordt ook gewezen op de verkeerde zegswijze ‘iemand dank wijten’, dat sedert de 18de eeuw voorkomt. Zie Ndl. Wdb. III, 2279. en vgl. verder Kil.: Danck weten, danck segghen, gratias habere, gratias agere; Campen, 116; Tuinman I, 238; Harreb. 120 b; Ndl. Wdb. III, 2278; fr. savoir gré à qqn.; hd, einem Dank wissen; eng. to render thanks to a p.

1672. Ondank is 's werelds loon.

‘Het goede wordt in de wereld veelal met kwaad vergolden’; hd. Undank ist der Welt Lohn; de. utak et Verdens Lon (Wander IV, 1422); zie Tuinman I, 258; 316; II, 174; Joos, 183; Waasch Idiot. 166 a; Harreb. II, 36 b; Villiers, 89; fri. ontank is 't lean fen 'e wrâld, en vgl. de platte uitdr. stank voor dank; fri. stank is wrâlds lean.

2156. Stank voor dank,

d.w.z. ondank in de plaats van dank; syn.: stront voor dank (V. Schothorst, 115; H.v.Z. 62; Kmz. 189; Gron. 49), dat we lezen in Van Vloten, Kluchtspel II, 230:

 My hebje verlaten, om met hem as met jou man te leven,
 Die jou ien stront, met verlof, het voor je danck egeven.

‘Stank voor dank’ komt in de 17de eeuw voor bij Hondius, Mouf. 53; in de 18de eeuw bij Halma, 606: Ik krijg stank voor dank, au lieu de recevoir des remercimens que je mérite, je ne suis payé que d'ingratitude; V. Janus, 8; Harreb. I, 120; Jord. 359; Prikk. V, 11; Boefje, 8; 113; Menschenw. 219; V. Schothorst, 205; enz.; Afrik. stank vir dank kry; In het Friesch: goeddwaen wirdt mei stank leanne of ik krij stank for tank; vgl. ook Joos, 50; Rutten, 153 a; Teirl. 249: stank veur dank krijgen, ontvangen, geên; Eckart, 498: Stank vör Dank; Grimm II, 729: gestank für dank; IV, 4202: stank statt (für) dank. Men zal niet te veel achter dit woord ‘stank’ moeten zoeken, het is voornamelijk als rijmwoord te beschouwen (no. 1555Noord en Zuid XXVI, 446; Verdam, Uit de Gesch. der Ned. Taal4, blz. 176.).

2579. Tegen wil en dank,

d.w.z. tegen zijn zin, hetzelfde als het 17de eeuwsche tegen wil en zinVondel, Salmoneus, bl. 37.. Het znw. dank heeft hier de oude, nog in Zuid-Nederland bekende, bet. bewaard van zin, wilVgl. Antw. Idiot. 329 en De Bo, 212: dankelijk, aangenaam., die het ook nog heeft in ondanks. Vgl. het mnl. jegen, ane sinen danc; t'ondanc ende t'onwille, tegen iemands zin; Mnl. Wdb. II, 60; V, 300; 17de eeuw tegen zijnen dank, tegen zijn zin, gedwongen. De tegenwoordige uitdr. komt in de middeleeuwen nog niet voor. Ook Kilaen en Mellema vermelden haar niet. Bij De Brune, 339 wordt aangetroffen: Die teghen wil en danck is goet, en houdt niet langh de zelve voet; bij Pers, voorw. tegens wille en danck; 353 a: tegens zijn wille en danck; bij Hooft, Brieven, 32: Tegens dank ende wille van haar en haare maagden; vgl. nog Halma, 106: Tegens zijnen wil en dank, bongré malgré qu'il en ait; Sewel, 167: Hy heeft het tegens myn dank (tegen myn wil) gedaen, he has done it against my will; ik zal het tegen zyn wil en dank doen, I'll do it in spite of his teeth; hy moest met of tegens dank daar toe besluiten, he was obliged to do it with or against his will, if he would or not; Harreb. I, 120 b; afrik. tegen wil en dank.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut