Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

danig - (zeer, hevig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

danig bw. ‘zeer, hevig’
Nnl. daanig ‘zeer, hevig’ [1781; WNT].
Afleiding door verkorting uit woorden als → dusdanig, → hoedanig, → zodanig, door interpretatie van het tweede lid als ‘erg, zeer’.
Voor de 18e eeuw komt danich, danig niet als simplex voor; in de loop van de 18e eeuw wordt de aanstaande overgang naar het gebruik zonder dus-, hoe- of zo- zichtbaar in regels als door de reciproque vuistslagen vice versa zo danig gehavent, dat ... [1734; WNT vice versa].

EWN: danig bw. 'zeer, hevig' (1781)
ANTEDATERING: Hij … voelde … S. "danig op den tand" ('stevig aan de tand') [1767; iWNT voelen]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

danig* [zeer, zeer groot] {1781} ontstaan uit dusdanig, zodanig, doordat deze woorden werden geïnterpreteerd als ‘zo erg’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

danig

Het woord danig wordt gebezigd in de betekenis: geducht, flink, in hoge mate. Men zegt bijvoorbeeld: ik heb mij danig verveeld, ik heb hem danig de waarheid gezegd, ik was danig geschrokken.

Dit woord danig is niets als een afkorting van zodanig of dusdanig die beide betekenen: in die mate, zo. Het zijn samenstellingen met het voltooide deelwoord van het werkwoord doen. In het Middelnederlands luidden deze woorden dan ook: dusghedaen, soghedaen. Deze vormen wijzigden zich in: dusdaan en: zodaan en afleidingen daarvan zijn: dusdanig en: zodanig. Ten onrechte ging men deze vormen beschouwen als bestaande uit twee woorden: zo en danig in de betekenis: zo erg. Hierdoor kreeg danig de betekenis erg, zeer, geducht die het woord nu nog heeft.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

danig bijw., bnw., nog niet bij Kil. Ook in ’t Fri. bekend. Ontstaan uit zoodanig, dusdanig (zie zodanig), doordat men deze als twee woorden zoo, dus + danig “zoo zeer, zoo erg” voelde

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

danig bijv.en bijw., verkort uit zoodanig, uitbreiding met -ig van zoodaan (vergel. Mnl. dusdaen), waarin het v.d. zonder ge van doen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

danig b.nw., bw.
1. Van besondere betekenis of belangrikheid. 2. (slegs bw.) Baie erg, in 'n hoë mate. 3. Oorvriendelik, duidelik verlief.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. danig (1781 in bet. 1 en 2), 'n verkorting van dusdanig 'dusdanig' en zoodanig 'sodanig'. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

danig: “baie, erg, uitermate”, as selfs. wd. los gemaak uit ss. soos dus- en sodanig; Ndl. dusdanig uit dusdaan + -ig waarin dusdaan uit ouer dusgedaan (met uitstoting v. ge-) verl. dw. van doen, m.a.w. dus/so (ge)daan/(ge)doen; v. ook gedaan.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

danig* zeer, zeer groot 1781 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut