Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dame - (vrouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dame zn. ‘vrouw; stuk in het schaakspel’
Mnl. dame ‘vrouw’ [1375-1400; MNW-R]; nnl. dame ‘stuk in schaakspel’ [1931; WNT tripleeren].
Ontleend aan Frans dame ‘vrouw(e)’, ouder dama ‘vrouwe’ [1050; Rey] < Latijn domina, de vrouwelijke vorm bij dominus ‘heer des huizes’, zie → domineren, → dominee, afleiding van domus ‘huis’, zie → dom 1.
De betekenis ‘schaakstuk’ lijkt pas laat te zijn opgekomen, volgens het WNT (1940) wordt de koningin in het schaakspel “in aansluiting bij het internationaal gebruik ook dame genoemd”. Deze naam is voor het eerst aan het schaakstuk gegeven in Spanje, als dama [ca. 1496; Stoep, 201], algauw gevolgd door Frans dame [eind 15e eeuw; Stoep, 201]. De aanleiding voor deze nieuwe naam was het hervormingsproces dat het schaakspel eind 15e eeuw in Spanje of Portugal onderging, waarbij de actieradius van de schaakkoningin sterk werd vergroot. De Franse naam voor het schaakstuk was voordien fers < Perzisch farzin ‘raadsman’. Er is geen verband tussen dit woord en de naam voor het damspel (zie → dammen), zoals vaak wordt gesuggereerd.
Lit.: A. v.d. Stoep (1997) Over de herkomst van het woord damspel. Een probleem uit de geschiedenis van bordspel en bordspelterminologie, Leiden

EWN: dame zn. 'vrouw; stuk in het schaakspel'; de betekenis 'stuk in schaakspel' (1931)
ANTEDATERING: uw' koning en uwe dame [1821; Filding, 31]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dame [vrouw] {1401-1425} < frans dame < latijn domina, vr. van dominus [heer des huizes], van domus [huis]; het engels dame is eveneens aan het fr. ontleend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dame znw. v., mnl. zeldzaam < fra. dame < lat. domina ‘meesteres’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dame znw., in ’t Mnl. zeldzaam en toen wsch. als gallicisme gevoeld. Uit fr. dame en dit uit lat. domina. Ook duitsch en skandinavisch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

da’me (de, -s), vrouw. Meneer was een creool* en mevrouw een chinese dame. Op hetzelfde moment dat Rosa haar zag wist ze, dat ze van deze dame veel zou kunnen houden (Maynard b: 16). Een ochtend, zo tegen half vijf (), komt die man me een mooi knap meisje tegen. En die man, kapitein, hij was een lastige* man, dus hij fluit naar die dame (Defares 52). Waarop een van de dames: Naai ons maar! (Cairo 1978b: 281). - Zie ook: heer*. Opm.: Als een Surinamer zegt ‘die vrouw’ bedoelt hij doorgaans zijn partner.
— : zie ook Spaanse* dame.
— : dames (gebr. als bn.), van vrouwen. Hier opgenomen i.v.m. de plaats van het woord wanneer het gecombineerd wordt met een ander bn. Dames en heren* zwarte parapluies (in adv. 1926, cit. volgens Doelwijt 1974: 77). Dames 100% katoenen onder-borstrokken* (DWT 30-3-1981, in adv.). - Etym.: Deze volgorde is vermoedelijk ingegeven, doordat, bij combinatie met een kleur die ook een huidskleur kan zijn, in het omgekeerde geval (bijv. ‘zwarte damestassen’) ‘zwart’ ook lijkt te kunnen horen bij ‘dames’ i.p.v. bij ‘tassen’. Dit wordt nog bevorderd door de (verkeerde) gewoonte om samengestelde zelfstandige naamwoorden als twee woorden te schrijven (‘zwarte dames tassen’). De volgorde in andere gevallen - geen combinatie met een (huids)kleur - kan ontstaan zijn als analogie. - Zie ook: heren*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dame ‘vrouw’ (Frans dame); ‘koningin in het schaakspel’ (Duits Dame)

E. Sanders (2000), Jemig de pemig!: de invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, Amsterdam

Dames heren ook

Op 28 oktober 1974 belegden Van Kooten en De Bie in hotel Krasnapolsky in Amsterdam een persconferentie om de oprichting van het Simplisties Verbond bekend te maken. Een ooggetuige schreef later: ‘Hoewel de verzamelde Nederlandse pers aanvankelijk niet goed raad bleek te weten met de doortrapte mengeling van ernst en humor, ontstond de eerste aarzelende hilariteit toen Kees en Wim lieten weten dat ze verder door het leven zouden gaan als Heer Kooten en Heer Bie. De eerste introduceerde ook de mattenklopper als symbool voor de nieuwe beweging, benevens de krompraat die jarenlang zijn handelsmerk zou zijn.’

Achter die krompraat zat een gedachte. In 1977 vertelde Kees van Kooten hierover aan De Nieuwe Linie:

Ik ben met dat vervormde praten begonnen omdat het mij was opgevallen dat bijna niemand ècht goed lopende zinnen maakt. Door dat vreemde spreken zijn de mensen juist goed over de taal gaan nadenken. Het heeft de creativiteit aangewakkerd. Toch is er verwarring ontstaan omdat men meende dat wij daarmee een trend wilden aangeven. Maar wij zijn absoluut geen trendsetters, maar juist trendbestrijders.

Een van de bekendste voorbeelden van Kootiaanse kromspraak is dames heren ook. Deze uitdrukking werd gebruikt in de uitzendingen, op de bescheurkalenders en in stukken van het Simplisties Verbond. Zo opende de zogeheten Teleurstellende kultuurnota van het Simplisties Verbond als volgt:

Dames heren ook,
U bent voor elkaar.
De een wat dikker dan de ander, maar uw grote trekken kloppen op de kulturele keper. Want anders zou u dit geeneens onder ogen lezen.
Maar zij? De rest van de anderen?
Daar hoopt het Simplisties Verbond een min of meer boekje van open te doen.

Het was een vermoeiend taaltje, dat Kootiaans, en dat vond Kees van Kooten op den duur zelf ook. Toen het Nieuw Wereldtijdschrift hem in 1985 vroeg waarom hij er op een gegeven moment mee was gestopt, antwoordde hij:

Omdat die een beetje gelijke tred hield met het Simplisties Verbond. Er heerste in Nederland een totaal Babylonische spraakverwarring, geen functionaris kon nog een lopende volzin maken, en omdat het Verbond een spiegel was van de samenleving hadden wij daar één functionaris in, dat was ik dan, die ook die kromspraak bedreef. Maar dat gaat snel vervelen: alles gaat je zelf eerder vervelen dan dat het het publiek verveelt.

Sterker nog: dames heren ook is sommige mensen blijkbaar nooit gaan vervelen, want je komt de uitdrukking nog steeds tegen, bijvoorbeeld op babbelpagina’s op het Internet. Overigens zijn de meningen erover inmiddels verdeeld. De meeste mensen vinden dames heren ook nu afgezaagd en oubollig. Dat is ironisch. Van Kooten en De Bie hebben altijd veel met clichés gewerkt. Ze vijlden ze bij, poetsten ze op en bliezen ze daardoor soms nieuw leven in. Zo veranderden ze het enigszins tuttige en deftige dames en heren in het humoristische dames heren ook (en nota bene in nota beide benen). Maar dames heren ook is in de jaren zeventig te vaak gebruikt om nu nog leuk te zijn. Het is zelf een cliché geworden, een gedateerde, afgezaagde uitdrukking, die daardoor grote kans maakt de komende jaren definitief te worden bijgezet in de kelders van het Taalmuseum. Waarschijnlijk krijgt ze daar een plaatsje in de buurt van pollens! en rrreeeds.

Zie ook fijns.

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

dame

In de betekenis van ‘koningin in schaak- en kaartspel’ wordt dame door sommige puristen als een germanisme (D. ‘Dame’) afgekeurd.

De woordenboeken zijn het niet eens over dit woord: Koenen, Verschueren, Van Gelderen en Jansonius beschouwen het als goed Nederlands; volgens Van Dale is het een germanisme en Kramers en Weijnen hebben het helemaal niet opgenomen. Uit de ontwikkeling bij Koenen (1935: correct; 1940-1952: germanisme; 1960-1973: niet vermeld; 1974: correct) en uit het feit dat sommige woordenboeken, die het vroeger niet vermeldden, het nu opnemen, zou men misschien kunnen concluderen dat dame (‘koningin’) op weg is ingeburgerd te raken.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dame van ’t Fr., en dit van ’t Lat. domina = vrouw (van dominus = heer). Zie Vrouw.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dames- ‘voor vrouwen’ -> Indonesisch dames ‘vrouwen-, voor vrouwen’; Jakartaans-Maleis dames ‘iets speciaal voor vrouwen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dame vrouw 1401-1425 [MNW] <Frans

dame koningin in het schaakspel 1934 [Vd Sijs 1996] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal