Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dam - (waterkering)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dam 1 zn. ‘waterkering’
Onl. in de plaatsnaam Dam ‘Dam (bij Düsseldorf)’ [751-52; Gysseling 1960], in een Latijnse oorkonde obstructionem illam Rheni que vulgo dicitur dam ‘de versperring van de Rijn die door het volk dam wordt genoemd’ [1165; Slicher van Bath]; mnl. in de plaatsnaam Schiedam [1269; CG I, 142], de plaatsnaam Damme [1269; CG I, 142]; dam ‘waterkering’ [1279; CG I, 435].
Mnd. dam; ohd. damm (mhd. tam); me. dam (ne. dam); ofri. dam, dom ‘dam, dijk’ (nfri. daam); on. dammr ‘stuw; stuwbekken, vijver’, naast damm ‘dam, stuw’ (wellicht < mnd. of mnl. dam); < pgm. *damm-. Deze wortel wordt bevestigd door de werkwoorden oe. -demman en got. *-dammjan.
De verdere herkomst is omstreden. Onwrsch. is verband met Grieks themélion ‘grondslag’, thémethla ‘fundament van een gebouw’, uit een vorming met -m- bij de wortel pie. *dheh1- ‘stellen, plaatsen’ (zie → daad, → doen). Eerder zou uitgegaan kunnen worden van een grondvorm pgm. *damb-na, verwant zijn in dat geval Grieks tháptō ‘ik begraaf’, táphos ‘graf’, Lets dùobe ‘kuil’, Armeens damban ‘graf, kuil’, wrsch. van een niet-Indo-Europese herkomst. De grondbetekenis van dam zou dan ‘door uitgegraven aarde opgeworpen dijk’ zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dam* [wal over water] {1165} middelnederduits dam, middelhoogduits tam, oudfries dam, dom, ontleend in het oudnoors als dammr; buiten het germ. grieks taphos [graf], lets dobe [kuil, graf]; het woord betekent oorspr. ‘door uitgegraven grond opgeworpen dijk’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dam 1 znw. m., mnl. dam, mnd. dam (> nhd. damm), mhd. tam, ofri. dam, dom, on. damm ‘dam, dijk’. Soms treedt ook de bet. ‘vijver, waterplas’ op, die op een zelfde bet. variatie wijst als in dijk.

De verklaring is onzeker. — Uitgaande van een grondvorm *dambna- knoopt v. Wijk IF 24, 1909, 31 aan bij gr. tháptō ‘ik begraaf’, táphos ‘graf’, arm. damban ‘graf, kuil’; maar semantisch is dit niet waarschijnlijk (IEW 248 noemt bij deze idg. woorden dan ook niet het woord dam). — 2. F. Wood MPh 18, 1920, 84 verbindt met gr. thámnos, thamús ‘dicht opeen, vol’, thamá ‘herhaaldelijk’ en FT 135 met gr. thṓmos ‘hoop’, wat weinig waarschijnlijk is. — 3. H. Güntert, Labyrinth 1932, 30 vergelijkt gr. themein ‘vastmaken’, themélion ‘grondslag’, thémethla ‘fundament van een gebouw’, die bij de idg. stam *dhē ‘stellen, plaatsen’ behoren (zo ook Kluge-Mitzka 120). — Als waterbouwkundige term overgenomen in nfra. dame (Valkhoff, Album Verdeyen 330).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dam I (dijk), mnl. dam (damm) m. = mhd. tam (tamm), mnd. dam (waaruit nhd. damm), ofri. dam, dom, on. dammr m. “dam, dijk”. In eenige n.- en wgerm. diall. komt ook de bet, “vijver, waterplas” voor. Uit het Ags. en Got. kennen wij alleen demman “dammen” resp. faúr-dammjan “verhinderen, doen ophouden”. Verwant met gr. tháptō “ik begraaf”, táphos “begrafenis, graf, grafheuvel”, táphros “gracht”. Waarschijnlijk hebben deze woorden a uit em (m): vgl. arm. damban “graf, groeve, grafmonument”, wellicht ook opr. dambo “bodem”; dan is dam idg. *dhombh-mo-. Als de wortel van tháptō ospr. dhôbh-, dhəbh- geweest is — waarnaast dan een genasaleerde vorm bestaan heeft — kan dam ook idg. *dhəbh-mo- zijn. Vgl. lit. dů́biu “ik hol uit”, důbė͂ “holte, gat”, die dan van een andere basis zouden komen dan dubùs bnw. “hol” (zie diep), wellicht ook ier. dabach “vat”. Onwsch. is de combinatie van dam als *dhə-mno- met gr. thamá “herhaaldelijk”, thōmós “hoop” en verder de woordfamilie van doen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dam 1 m. (dijk), Mnl. dam, Os. dam + Mhd. tam (Nhd. damm), Eng. dam, Ofri. dam, On. dammr (Zw. en De. dam); in ’t Ags. bestaat fordemman en in ’t Go. faurdammjan = afdammen + Gr. thōmos = hoop, van denz. wortel als doen. In ’t Skand. bet. ook waterplas; cf. dijk en wal. — Ging over in ’t Rom. (Mlat. damma, Fr. dame) en in ’t Slav. (Po. tamma).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

dam s.nw.
Plek waar water opgegaar word, gewoonlik 'n holte met 'n wal, asook die water wat sodanig opgegaar word.
Betekenisuitbreiding van Ndl. dam (al Mnl.) 'damwal'. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1777 (Scholtz 1972), waarna in Afr. by Du Toit (1908) in die aanhaling “dam het by ons ni di beperkte bet. soos in Hollans ni. Wat hulle 'dam' noem, is by ons 'damwal', want ons verstaan deur 'dam' ook di ingedamde of uitgegrawe water”.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1826).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. dam (de, -men), (ook:) 1. dijk, i.h.b. als begrenzing en bescherming van een (voormalige) plantage* (A.1, 3). ’t Was diep in den nacht. Nauwelijks echter was hij te bed of hij werd weer geroepen: de dam was voor de vierde keer bezweken (Bartelink 70). - 2. stroomversnelling, waterval, meestal complex van beide. Tegen drie uur komen we aan een machtigen dam, die in den regentijd* buitengewoon lastig moet zijn; de legen boot wordt over de steile gladde rotsplaten* naar boven getrokken, een werk dat de Boschnegers* als een soort amusement beschouwen (Stahel 1927: 55). - Etym.: Vgl. S dan = 1 en 2; E dam = o.m. 1. AN d. = o.m. in en dwars over een water opgeworpen wal die dient om het water te keren, de stroom te leiden of te verdelen (een ‘dijk’ ligt langs het water). Oudste vindpl. van 1 not. van 1776 (S&dS 903). - Syn. van 2 soela*, val*. Zie i.v.m. 1 polder* en de samenst. achter-*, voor-*, zij-*, polder-*, en smousdam*.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

dam 'waterkering dwars door een waterloop, verhoogde weg in nat gebied'
Onl. dam, damme, mnl. dam 'waterkering, verhoogde weg in nat gebied', ofri. dam, dom, mnd. dam (> nhd. Damm), mhd. tam, ono. damm 'waterkering, verhoogd pad', soms ook 'vijver, waterplas' (zie dijk). In het Oudengels is alleen het werkwoord demman 'dammen', in het Gotisch faúr-dammjan 'verhinderen, doen ophouden' overgeleverd. Dammen werden veelal aangelegd om een waterloop af te sluiten van het aan eb en vloed onderhevige buitenwater. In Zeeland dateren de oudste dammen van vóór de systematische bedijking1.
Oudste attestaties in plaatsnamen: 1190 de Dammo (terrein bij Gorssel)2, 1197 Stocdam 'dam of weg opgebouwd met stokken' (ligging onbekend, bij Oostburg)3, 1181-1210 kopie in Poppedamme (→ Poppendamme)4.
Lit. 1Dekker 1971 91, 2Künzel e.a. 1989 106, 3Idem 333, 4Idem 291.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dam ‘waterkering’ -> Engels dam ‘waterkering; stuwmeer; droogmakerij’; Duits Damm ‘barrière die het water tegenhoudt’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dam ‘waterkering; vijver, poel’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests tamm ‘waterkering’ (uit Nederlands of Duits); Frans dame ‘dijk dwars over een kanaal in aanleg; kleine bodemverheffing; stuk grond tussen geëxplodeerde mijngaten; schuin muurtje dat de onderkant van een hoogoven afsluit zodat de slakken weg kunnen lopen (metaalindustrie)’; Pools tama ‘waterkering’; Kroatisch damba ‘barrière die het water tegenhoudt’ ; Sloveens damba ‘waterkering’; Russisch dámba ‘waterkering’; Bulgaars damba ‘waterkering’ ; Oekraïens dámba ‘dwars in een water opgeworpen wal om het water te keren’ ; Wit-Russisch dámba ‘waterkering’ ; Azeri damba ‘barrière die het water tegenhoudt, dijk’ ; Litouws damba ‘barrière die het water tegenhoudt, dijk’; Indonesisch dam ‘waterkering’; Jakartaans-Maleis dam ‘havendam, pier’; Javaans dham ‘waterkering (bevloeiing)’; Madoerees ēddham ‘waterkering’; Menadonees dam ‘waterkering’; Soendanees dam ‘waterkering’; Negerhollands dam ‘vijver’ (uit Nederlands of Deens); Papiaments dam ‘waterkering’; Sranantongo dan (ouder: dam) ‘waterkering, dijk’; Saramakkaans dan ‘stroomversnelling’; Sarnami dám ‘waterkering’; Surinaams-Javaans dham ‘waterkering, dijk’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dam* waterkering 1165 [Slicher]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

884. Het hek is van den dam,

vroeger ook ‘het hekken is van den dam’, wil eig. zeggen, dat het hek, staande op den dam eener weide, weggenomen is; hierdoor kunnen de daarin opgesloten beesten er uit komen, zich vrij bewegen, doen wat zij willen; vandaar dat de uitdr. kan beteekenen: er is geen verhindering meer, geen op- of toezicht meer; men kan vrij zijn eigen zin volgen (Winschooten, 81In het Mnl. Wdb. wordt dam in deze uitdrukking te onrechte ver klaard als erf, werf, grondgebied.). Vgl. Campen, 128: 't Hecke is van den dam; Sart. II, 8, 2: Vader uyt, moeder uyt, het heck is vanden Dam; De Brune, 461: Moer uyt, vaer uyt, 't heck van den dam; de 17de-eeuwsche zegswijze: So ras 't hecken van den dam is lopender de verckens in 't kooren of daer 't hek op is, loopen de verckens in. Zoo ook in de Haarl. Mei-Bloempjes (anno 1649), bl. 27:

Kom Elsje hey komt in, ik moet wat met jou praten,
Het Heck is van den Dam, ick heb het huys alleen.

Zie ook nog Brederoo I, 68, vs. 1849; Huygens VI, 231; Korenbl. II, 438; Smetius, 6: tHecken is van den dam; Gew. Weuw. III, 48; Tuinman I, 119; Sewel, 326. In het Nederduitsch luidt de spreekwijze: Wenn 't Heck vôr de Damm weg is, so gahn de Schâpen äverall; is 't Heck van 'n Damm, de Schape gân darvan; syn. van wen de katte ût 't hûs is, dansen de musen ofer de disk; zie Eckart, 194; Dirksen II, 45; Wander II, 452; Taalgids IV, 245 en Ten Doornk. Koolm. II, 62 a. In het Friesch: as de hikke fen 'e daem is, rinne de skiep yn 't wyld. In Zuid-Nederland onbekend. Daar zegt men als de kat van huis is dansen de muizen op tafel (of zijn de muizen baas), waarmede kan worden vergeleken mnl. alse de catte es van huus dan riveleert de muus; mlat. insanire facit mures absentia cati (Werner, 42Zie voor varianten Harrebomée I, 384; Wander II, 1191-1193 en vgl. Ndl. Wdb. VII, 1790.); hd. Katz aus dem Haus rührt sich die Maus; fr. quand les chats sont sortis, les souris dansent sur la table; eng. when the cat is away the mice will play.

1972. Als één schaap over den dam is, volgen er spoedig meer,

d.w.z. wanneer eerst maar iemand voorgaat in eene zaak, waartoe men moeilijk kon besluiten, dan volgen anderen zijn voorbeeld wel na. Tuinman I, 366 past deze zegswijze ook toe op het bedrijven van zonde: ‘de eene is een trap en leidsman tot de andere’. In de Prov. Comm. 163 lezen we: Daer een scaep voer gaet volghen dander alle, hic primam reliquae comitantur oves et ubique. Zie verder Spieghel, 268; H. de Luyere, 26: Als deen schaep loopt, dan loopen se al tsamen; Bebel, 393; Cats I, 410: Als 'er een schaep over de postEen post is een losse brug, vlonder (Bouman, 83; Boekenoogen, 783); vgl. De Arbeid, 7 Jan. 1914, p. 2 k. 1: Als een schaap over de brug gaat, volgen er meer. is, soo volghen er vele; De Brune, Bank. I, 476: Als 't eerste schaep over 't hecken is, denck niet, dat de reste daer voor zal staende blijven; Van Effen, Spect. III, 58; Tuinman I, 119; Harreb. I, 98 b. Syn. is het in Groningen bekende: as ijn kou an 't birzen gait, dan begunnen ze altemoal te loopen (Molema, 38 b), welke zegswijze ook elders voorkomt en te vergelijken is met het dial. reeds door Campen, 113 vermelde: als die eene Koe bisset (wild rondloopt), soe bissen sy al te saemen (vgl. Ndl. Wdb. II, 2672); Twentsch: as eene koe bist holt de andere 'n stert op; zie Harreb. I, 422 a; Wander IV, 66 en vgl. het fri. as ien skiep oer 'e daem is, komme de oaren der ek oer of folgje der mear; hd. wenn ein Hammel vorspringt, springen die anderen nach; fr. ils sautent comme les moutons de Panurge. (Aanv.) De dam is het stuk grond, dat in de omringende sloot van een weiland ligt en waarop het hek staat.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut